• menu▼        
  • contact us

  • JOODSE GESCHIEDENIS TE MEERSSEN

    Vanaf 1600 tot rond 1830



    "In de Diaspora namen de Joden naast de THORA de TALMUD en hun gebeden in feite niets mee. Dit echter is hun rijkdom en deze geschriften zijn hun leidraad."

    De eerste gegevens over de joden te Meerssen dateren van 22 september 1693. Op deze dag leverde "de jood van Meerssen" 86 pond ossevlees voor 14 guldens en 14 stuivers aan de Proos­dij. Op de 24ste november 1694: betaald aan de jood van Meers­sen voor levering van 51 pond ossevlees, de som van 5 gulden en zeven stuivers. Mogelijk werd Levie, die tussen 1687 en 1708 vanuit Rekem in Meerssen arri­veerde, met de "jood" bedoeld. Levie had zich daar, hoogstwaar­schijnlijk in opdracht van de graaf van Rekem, bezig gehouden met het illegaal slaan van Hollandse Duiten. Nadat Hollandse troepen in het grafelijk kasteel zijn gereedschap hadden vernield, vertrok hij naar Meerssen.
    Levi's nageslacht heeft de fam. naam Soesman aangenomen.

    Ook in 1704 vind men rekeningen voor het leveren van vlees. Nu is er sprake van "de joden" (in meervoud). Namen worden tot dan niet genoemd.

    De inwoners van de schepenbank werden opgeroepen de joden in rust en vrede in hun midden te laten wonen.

    In 1708 heeft Maarten Custers zich voor honderd ducaten borg gesteld voor de Rekemse muntmeester en voor Hertog Jacob van Gelder, een gebruikelijke gang van zaken voor de vestiging van vreemdelingen te Meerssen.

    Zo ook Bernard Bar Levy (Bernard Bar Levy betekend: Bernard zoon van Levy), een jood met een goede reputatie. Hij vestigde zich als slager en koopman in de Beekstraat te Meerssen en deed weldra goede zaken met de Proosdij.

    Intussen had op 10 mei 1712 te Maastricht een triest voorval plaats, dat ook grote invloed zou hebben op de joodse gemeenschap van Meerssen.
    't Was de verschrikkelijke moord op de weduwe Bamphy, gepleegd door haar vroegere dienstmaagd Helena Meyer, oud 22 jaar (geboren te Beek) en haar verloofde David Moyses van bijna 25 jaar (uit Berlijn).
    Aangezien Helena vroeger in dienst was geweest bij de welgestelde weduwe Bamphy en dus op de hoogte was van haar rijkdom, beraamde zij en haar verloofde een inbraak bij de weduwe. Op de avond van de 10e mei, toen de weduwe alleen thuis was, overvielen zij de niets vermoedende vrouw. Mevrouw Bamphy schreeuwde zo hard, dat de buren kwamen kijken. Maar het was te laat. Met een groot slagersmes hadden zij mevrouw Mevrouw Bamphy vermoord. Uit angst vluchtten zij naar de kelder waar beiden zelfmoord wilden plegen. Helena had in haar hals een levensgevaarlijke diepe wond van vijf centimeter groot. David had zijn luchtpijp doorgesneden. Hun zelfmoordpoging mislukte. Zij werden overmeesterd door de buren en op 17 mei door de Schepenen van het Hoge Brabantse gerecht veroordeeld.
    David Moyses: "….. om van onderen op levendig geradbraeckt te worden, sonder den genadeslag te ontfangen. Voorts de rechter­hand afgecapt, daerna syn lichaem op eene horde (platte mand) naer buyten gesleept, aldaer op een rad tentoongesteld, met de afgekapte hand en het mes waermede hij den moord mede begaen heeft, boven sijn hoofd vastgemaeckt''.
    Helena Meijer: "…. om op een cruys gelegt, de rechterhand afgecapt, daerna de keele afgesneden en voorts haer dood lichaem meede op eene horde naer buyten gesleept en aldaer op een rad ten thoon geset te worden.''
    Het vonnis werd op 18 mei 1712 op de Markt te Maastricht voltrokken.

    Naar aanleiding van de moord op de weduwe Bamphy vermeldt een kroniek uit die tijd:
    "Op allen den tijd dat David Moyses geradbraakt is geworden ende andere pijnen onderstaan heeft, hij niet een woord heeft gesegd, alleenlijk maer so nu en dan eens roepen­de: ,,Abraham... Abraham''.
    "Dat sijn lichaem soo geraedbraekt ende de beenen in cleyne stucken vermor­seld wesende, hij op het schavot soo heeft gelegen tot vier uur in de achter­middag. Dat hij om een uur des middachs nog een glas wijn gedronken heeft ende van het schavot afgenomen en naer buyten gebrocht ende op het rad geleyt, hij nog levendig sijnde, sich niet eenmaal verroerd heeft."

    Op de dag van executie werd een gezang van 130 regels ten gehore gebracht.
    De eerste regels waren als volgt:

    ''Schrikt en schroomt all die leven
    de natuer moet heden beven,
    over een seer vrede moort,
    die niet veel en is gehoort.
    Om de schatten en juweelen
    met malcander te verdeelen
    heeft een joodt, en een jodin
    wyt gewerkt dees booste zin .... ''

    De moord werd wijd en zijd besproken en uit wraak werden joden dusdanig bejegend en mishandeld dat velen het veiliger vonden om Maastricht te ver­laten.

    In de periode tussen 15 maart 1718 en 23 november 1723 treft men regelmatig onder Vice-Proost Charles Dubois rekeningen aan op naam van Bernard Levy. Tussen 1720 en 1723 is er een probleem ontstaan over de levering van vlees.
    Op 8 maart 1720 verklaard Charles Dubois:
    "Naer afrekening soo van vlees, als van andere "coopmanschappen, aen mij onderschreven door Bernard Levy geleverd. Afgetrokken al het geene hij, soo in geld, vruchten, als andersins ontvangen heeft, bekenne tot dato dese aen hem, Levy, in alles nog schuldig te blijven, de somme van sevenhondert ende twaalf guldens, agtien stuyvers ende een halve.
    "Actum tot Meerssen, den 8e Marty, een duysent sevenhondert ende Twintig. Was getekend, Charles Dubois, Vice-Proost".

    Op 30 november 1723 is er een verklaring van Bernard Levy.
    "Den ondergeschrevenen verclaert van bovenstaande (Dubois) in handen voldaen te zijn, onder projuditie van resteerde rekeningen en de gereese costen voor de justitie van Meerssen, die den WelEerwaarde. Heere Proost van Meerssen volgens accoord tot sijnen laste genomen heeft, relaes tot voor­schreeven accoord. "Atum tot Meerssen de 30 nov. 1723 w.g. Ber Levy.

    Tijdens een rechtszaak uit het jaar 1723, treffen wij Bernard Levy weer aan, met zijn zoon Elias.
    Bernard Levy droeg, op weg naar huis een zak goederen op zijn rug , toen hij werd lastig gevallen door “de jood Vaes Isaec uit Heerlen “, welke dronken was.
    Vaes Isaec wilde Bernard Levy de zak met goederen van zijn rug slaan.
    Bernard Levy liet zich dit niet welgevallen en wierp Vaes Isaec op de grond, daarbij geholpen door zijn zoon Elias.
    In de proces­stukken wordt vermeld:
    "Dat den joode van Heerle, Vaes Isaec, questie heeft gehad met den joode Elias Levy en denselve seer scheldende als schelm."
    De zoon had het blijkbaar opgenomen voor zijn vader.

    In 1731 werden in de Staatse landen van Overmaas wetten aangenomen betreffende de toelating van joden. Deze toelating vond plaats nadat een jood een bewijs van goed gedrag kon overleggen. hetwelk afgegeven moest zijn in zijn vorige woonplaats en hij moest een vermogen hebben van fl. 200,-

    De familie (Levi cq. Soesman) waren voorzover bekend de eerste joodse ingezete­nen van Meerssen. Als slager en koopman woonden zij in de Beekstraat. Levie Soesman op nummer 31 en zijn broer Bernard Levy op nummer 43. Bernard Levy kocht in 1715 een stuk grond langs de Geul op de weg van Meerssen naar Rothem en Levi Soesman richtte een gedeelte van zijn woning in als huissynagoge.

    Omdat de Levy’s geen geboren Meerssenaren waren, dachten zij zich te kunnen onttrekken aan het plaatselijke gebruik en verplichting om wacht te lopen.
    Op 1 mei 1723 kwam de wacht bij het huis van Bernard Levy en klopte aan. De zoon van Bernard opende het raam en riep: "Wie klopt daar".
    De commandant van de wacht maakte zich bekend. Elias antwoordde: "Sij en hadde met de wacht niets te doen" waarop de commandant riep: "Waarom soudt gij niet so waeken als wij?" Elias zei daarop: "Sij souden sich weg pakken, hij had met hen niets van doen." Verder zei hij nog: "Ik sal U morgen om acht uur wel leeren", waarop de commandant riep: "Schiet maer op. Waerom en soudt gij niet waeken als wij? Indien wij niet waeken, soo souden wij slecht naecoomen de ordonantien van onsen Souvereyn, ende gij meent dat gij wat meer sijt dan wij." Elias antwoordde: "Morgen om acht uur sal ik u wel spreeken, gaet nu maer slaepen." Vervolgens vertrok de wacht en maakte rapport op.

    Deze en andere voorvallen zetten veel kwaad bloed, en daardoor werden de joden hoe langer en meer met een scheve blik bekeken en zij niet alleen. Ook hun personeel, de zgn. sabbatmeisjes, moest het vaak ontgelden. De orthodoxe joden volgen zeer streng hun religieuze wetten, zij mochten bijvoorbeeld op Sabbat (van vrijdagavond tot zaterdagavond) geen arbeid verrichten, lampen mochten zij niet aansteken. Hiervoor werden katholieke meisjes ingehuurd; men noemde deze Sabbatmeisjes.
    Zebilla Cijl, sabbatmeid bij de familie Soesman, was op een vrijdag aan De Beek, bij de Gasthuisbrug (op het einde van de Beekstraat) koperwerk aan het schuren, toen iemand haar van achteren "met groot force geweld, sodaenig in het waeter had geworpen, dat sij van onder tot boven was nat geweest en met drek en slijk overtrokken was." Zij was geschrokken en had niet kunnen zien wie dit gedaan had. De oude heer Abraham Levy, die aan zijn deur stond, had het wel gezien en gezegd dat het Martinus Schrooders was geweest. Tijdens haar val in de beek, had zij uit haar tas zes of zeven schellingen aan geld, een koperstuk en een zilveren gesp, die zij gekocht had voor acht gulden, verloren. Zij ging dit onmiddellijk aangeven.
    Martinus Schrooders was de dag erna,in opdracht van zijn baas en zijn vrouw Marijke, alias het Krauwkopke van Meerssen, naar haar toegegaan, had in onderling overleg een schikking willen treffen. Maar Zebilla Cijl wilde dit niet, zij wilde het voor het gerecht brengen. Isaec, die bij Elias Levi inwoonde, hoorde dat Martinus Schrooders gezegd zou hebben: "Indien ik de boete moet betalen voor dat in de Beek te stoten, zal die meid van Levy Soesman niet levend uit Meerssen komen".

    In de jaren 1788 - 1795 was er een aanzienlijke uitbreiding van joden te Meerssen door een grote immigratie uit Duitsland (Rijnland).
    In Meerssen zouden zij echter evenmin een land van melk en honing aantreffen. Het Staatse zuiden trok de meeste joden aan: Heerlen, Meerssen, Gulpen en Eysden, en in mindere mate Vaals, Valkenburg en Beek en incidenteel nog Hulsberg (behorende Nieuweweg te Valkenburg wonende joden echter bedoeld zijn) [mij niet duidelijk-B.N.] ( kan hier ook niets mee – BRC), Haasdal onder Schimmert, Limmel en de vrije Rijksheerlijkheden Stein en Elsloo, alle aan- of nabij belangrijke verkeerswegen gelegen.
    Ook in vroegere eeuwen vestigden zich in deze omgeving voor kortere of langere tijd joden, hoeveel is slechts met weinig zekerheid bekend. In en voor 1300 zijn er al joodse Maastrichtenaren geweest.

    In 1795 was het aantal in Meerssen toegenomen tot 157, inclusief vrou­wen en kinderen. Enkelen uit Amsterdam en één uit 's-Hertogenbosch. Ongeregistreer­de joden woon­den in een pension of bij Meerssener joden of bij andere inwo­ners van Meerssen, of bewoonden clandstien leegstaande huizen.
    Enige jaren later, in 1798, werden joodse huizen, op aandringen van de Franse autoriteiten, uitgekamd en werd hun aantal een stuk lager.
    In 1808 was dit aantal nog 54. Intussen had Soesman Levi goede zaken kunnen doen en zijn bezit kunnen uitbreiden. Hij mocht drie huizen aan de Beek­straat zijn eigendom noemen. Levie Soesman, de oude, gehuwd met Sara Salom, koopt op 6 december 1780 van Peter Honee een huis in de Beekstraat, hoek Kerkstraat, gelegen naast het zijne, groot 2 grote roeden.
    Zo deed hij met zijn drie zonen, naast de slagerij, nog handel in het groot. Uit een verklaring in het jaar 1791 blijkt, dat de Proosdij een schuld had aan Levi Soesman Sr. van 16 stuivers voor grondrechten en aan Salomon Soesman de zoon, voor levering van bakstenen, de som van 172 guldens en 11 stuivers en aan Soesman Levi Jr. de lopende rekening van vlees. Bij testament van 4 februari 1796 bepaalde hij dat, na beider dood, zijn zoon Bernhard het huis en de hof zou krijgen waarbinnen de synagoge was gelegen. Hij overleed in het jaar 1811, op de leeftijd van bijna 100 jaar.
    Met de inlijving van de Zuidelijke Nederlanden per 1 oktober 1795 werd de Franse jodenwet van kracht. Hierdoor kregen de joden ook burgerrechten; nu konden ook zij zich vrij vestigen en overheidsbetrekkingen aangaan.

    Daadwerkelijke pogin­gen om gelijkberechtiging van de joden door te voeren kwamen pas met de komst van Lodewijk Napoleon in 1806.
    Bij Keizerlijk decreet van 10 juli 1808 van Napoleon werd bepaald dat iedereen een familienaam moest aannemen. Men kreeg enig respijt om er zelf een te kiezen, had men echter binnen de bepaalde tijd geen naam gekozen dan werd er een door de staat vastgesteld. Weinig joden voerden een familienaam. Zij stonden ingeschreven als bijvoorbeeld Isaac bar David, of Ester de dochter van Isaac. Er zijn ongeveer 45 akten bij de burgelijke stand bekend waarin de naamsveran­deringen van joden te Meerssen geregistreerd zijn.
    De betref­fende, nog bestaande registers van Meerssen, Schimmert en Valken­burg melden verschillen in naamsaannemingen. In het algemeen was het de bedoeling de joodse achternaam te verande­ren: Levi koos de familienaam Soesman. Seligman werd Zeligman, Herz verkoos de naam Wijngaard, Meijer werd Manuel, Abraham werd August. Dit was geen vaste regel, want ook namen zij een patroniem aan: Benedic, Meijers, Daniels, Hartogs, Heij­man, Marx (van Marcus) of een vertaling van vaders naam: Hertog van Herts en Hermans van Huyman.

    Afstammelingen van Cohen namen via Kahn uiteindelijk de naam Kosten aan. In Schimmert noemde iemand zich eenvoudig Burger. Ook koos men soms een naam die eerder als bijnaam was gegeven, bijvoorbeeld in het Valkenburgse noemde zich een jodin "Mina Mols".

    Niet iedere joodse familie liet zich registreren. Dit blijkt uit een brief van de burgemeester van Meerssen op 18.10.1808. Hij had een lijst van joden in de gemeente Meerssen, die niet de vereiste aangifte hadden gedaan, gebaseerd op de het Keizerlijk decreet van 20 juli 1808, met betrekking tot de naamswijziging.
    Opgemaakt en gebaseerd op de brief van de Prefect, d.d. 6 oktober 1808.

    Na 1800 vertrokken veel joden naar Duitsland, maar de joodse gemeenschap in Meerssen bleef groot genoeg om een synagoge te vullen.
    Het jaar 1808 was voor de joden in deze streek erg belangrijk. Bij decreet van 17 maart 1808 van Napoleon kwam het tot de oprichting van het Centraal Consistorie. Het was Napoleons bedoeling hiermee de joden te controleren.
    Bij Koninklijk Besluit van 12 september 1­806 werd het Opperconsisto­rie opgericht.
    (dit klopt volgens mij niet, eerst decreet van 17-03-1808 en K.B. van 1806 ?) BRC
    (Dat moet 1808 zijn, zie de tekst onderdaan op pagina 10 en bovenaan pagina 11:
    www.centreceramique.nl/gemeentearchief/pdfbestanden/Joodse%20Gemeente%20Maastricht_GAM.pdf ) MCW

    Limburg viel voor een groot gedeelte onder het consistorie van Krefeld met als Opperrabbijn Lob Carlburg. Dat ging zonder veel weerstand, ondanks het feit dat de joodse gemeenten tot dat moment zelfstandig geweest waren.

    Met het aantreden van Willem I in 1814 kwam er een einde aan deze consistoriaal­inrichting, maar er kwam een andere, gelijksoortige organisatie. In Maastricht kwam de hoofdsynagoge met zes ringen; o.a. Meerssen. Het verzet tegen deze organisatie blijkt uit de correspondentie tussen de hoofdsyna­goge en Meerssen. De controle van begrotingen en jaarrekeningen werd nu door een commissie uit Maastricht gedaan.

    In 1808 werd door koning Lodewijk Napoleon een volks­telling bevolen, welke in Limburg werd gehouden op 30 december. Omdat er tussen 1813 en 1815 archieven zijn verdwenen, ontbreken vooral van de kantons ten oosten van Maastricht bijna alle gegevens, behalve die van Meerssen. Deze bevinden zich in het gemeentearchief.
    Er bestaat echter ook een religie telling uit het jaar 1803, ter gelegenheid van het herstel van bisdom Luik. Aan de hand van deze telling kan men het aantal joden voor Meerssen en omgeving vaststellen op circa 80.
    In de lijst van joden in het Departement Nedermans (door David Joseph) staan 54 joden vermeld, woonachtig te Meerssen.
    Voor het jaar 1829 is dit aantal 44 en in 1857 is dit 79; voor 1865-1870, 83-79 personen (in 1871 zijn er aangesloten tot de Israelitische gemeemnte Meerssen 135 joden) en voor resp. 1920 en 1942 is dit 44 en 14.


    SYNAGOGE
    Levie Soesman, "de oude", kocht op 6 december 1780 een huis van Peter Honee, gelegen op de Beekstraat hoek Kerkstraat, naast het zijne, en groot 2 roeden .
    Daar richtte hij in 1796 een vertrek in tot bedehuis, een zogenaamde huissynagoge, en verhuurde dit aan de joodse gemeenschap. Levi Soesman [,] werd bijna 100 jaar oud.

    Bij testament van 4 februari 1796 bepaalde hij dat na zijn dood zijn zoon Bernard het huis en de hof zou krijgen, waarbinnen de synagoge was gelegen. Bernhard wilde de synagoge niet meer in zijn huis hebben. Blijkbaar was hij mensenschuw of niet zo godsvruchtig en de joodse gemeente [,] vond een bovenhuis in de Steegstraat hoek Gasthuisstraat (thans no. 9), dat inge­richt kon worden als huissynagoge en als zodanig gediend heeft tot 1853. Men had slechts de beschikking had over een lokaal.
    Het lokaal Beekstraat/Steegstraat was door de slechte staat van onderhoud ongeschikt als bedehuis. In een brief aan de gemeenteraad van 5 juli 1848 stond:
    "Behalve den onvoegzamen ingang, is den toegang en inrichting zodanig, dat oude ziekelijke en gebrek­kige gemeenteleden; buiten de mogelijkheid zijn aan de godsdienstoefeningen deel te nemen, terwijl van den andere kant de weinige ruimte ook andere belet om daarin een eredienst te komen bijwonen."
    Vijf jaar eerder begon men met het maken van plannen voor de bouw van een nieuwe synagoge.
    Ruzie over bevoegdheden waren schering en inslag in een kleine gemeen­schap, waar velen onderling familiebanden hadden. Zo schrijft Jacob Cahn, kerkmeester te Meerssen, op 29 juli 1830 vanuit zijn woonplaats Valkenburg, dat zijn collega L. Soesman eigen­machtig optrad en zonder overleg "de haftora niet wilde laten opveilen" en wegschonk (haftora, gedeelte uit de Profeten, dat na de Tora-lezing wordt voorgedragen).
    Toen Cahn hierop een aanmerking maakte, had Soesman hem "in de kerk" zelfs toegevoegd: "Gij hebt niets te zeggen en indien het u niet bevalt wat ik doe dan steek ik u een bessem in het lijf". Naar aanleiding hiervan werd Soesman ter verantwoording geroepen. Als verdediging voerde hij aan, dat de haftora van "Swart Sabbat" (de sabbat voor de dag, waarop de verwoesting van Jeruzalem wordt herdacht) nooit is geveild, terwijl men mannen heeft, leden van onze godsdienstige bijeenkomst, die zelfs niet bij machte zijn eerbiedig te kunnen Lei­sen" (zingend reciteren), zodat zijn optreden "de wanorde in het uitoefenen van onzen openbaren Eerendienst" voorkwam. Problemen met de bazige Soesman gingen later nog verder.

    Op 5 november 1839 deelt S. Bloemendal het kerkbestuur te Meerssen mede dat de Hoofd Commissie tot zaken der Israëlieten te Den Haag een schrijven heeft ontvangen van 30 oktober 1839, no 1273/1274, en dat zij hebben meegedeeld dat "voorlopig te Meerssen niemand tot uitoefener als kerkelijk besnijder mag optreden, behalve de heren B. Wesly uit Maastricht en M. Stern te Eysden, die daartoe de bevoegdheid bezitten, in afwachting dat binnen korte tijd hier ter stede, een commissie zal worden ingesteld, teneinde diegene welke zich tot besnijder willen bekwamen, tot het examen toe te laten en bevoegd te verklaren. Ik moet u derhalve aanbevelen om er op te waken, dat geen daartoe onbevoegde personen de besnijdenis ondernemen, teneinde de gevaarlijke gevolgen, welke uit dergelijke operatie door ongeschikte personen zouden kunnen voortvloeien, te voorkomen.
    Dat voorlopig als bevoegd algemeen kerkelijk inzegenaar is aangesteld, Jacob Levy te Maastricht, zodat, wanneer iemand verlangt kerkelijk ingezegend te worden, bijtijds zijn burgerlijke trouwakte aan mij franco zal hebben toe te zenden en dan de inzegenaar op zijn kosten te ontbieden. Zij zullen binnenkort verder hieromtrent worden meegedeeld. Ten slotte verzoek ik u mij, zodra mogelijk een projectreglement van Godsdien­stige en Ceremoniële orde van de gemeente ter goedkeuring in te zenden en als zulks bereids vroeger heb gevraagd. "

    Eind 1839 richt Bloemendal zich tot de Staatsraden belast met het voorlopig bestuur der weder in bezit genomen landstreken in Limburg. Op 6 februari 1840 schrijft Bloemendal een brief naar Meerssen, met een kopie van de brief aan bovengenoemde commissie, met de volgende inhoud:
    "Gezien de brief van de heer Bloemendal, gedelegeerde der Hoofd Commissie tot zaken der Israëlieten voor het Synagogaal ressort van Maastricht, gedateerd 24.1.1840, no.53, daarbij overleggende twee brieven van de Hoofd Commissie tot zaken der Israëlieten, waaruit blijkt dat de commissie zich vooralsnog onbevoegd rekent om zich officieel met de aangelegenheden der Israëlitische gemeente in Limburg in te laten, dat dezelfde commissie het wenselijk acht dat waar de tussenkomst der Hoofd Commissie anders zou worden gevorderd de belangen door hem (Bloemendal) mogen worden behartigd, mits vriendelijk verzoekend om de Staatsraden Commissarissen hier omtrent te mogen vernemen, heb­bende goed gevonden en verstuurd, de heer Bloemendal voornoemd te machtigen om zich in afwachting van Zijne Majesteits beslis­sing tot definitieve regeling van dienst voor de aangelegenheden der Israëlitische gemeente in Limburg, die aangelegenheid inplaats der Hoofd Commissie te Den Haag aan te trekken en derhalve als zodanig alle aangelegenheden waar gevorderd de beslissingen van de Staatsraden."

    In de brief moedigt Bloemendal de afgetreden kerk­meesters aan om onverwijld rekening en verantwoording van hun gehou­den administratie en inventaris over te leggen, alle gelden, boeken, papieren, reglementen, effecten van de gemeente welke van vroegere jaren in hun handen waren, een afschrift deze rekening alsmede van de inventaris uiterlijk voor 20 februari 1840.
    Voorts verwacht Bloemendal een opgave van de toestand van de gemeente, te weten:
    1. Welke onroerende goederen bezit men?
    2. Welke ambtenaren fungeren in de Israelitische gemeente?
    3. Hoe zijn de vermoedelijke uitgaven begroot met inbegrepen
    van het salaris van kerkambtenaren die de functie voorzanger,
    onderwijzer en beestensnijder bekleden, en wie dit betaalde?
    4. Hoe groot waren de vermoedelijke ontvangsten?

    Het antwoord luidde op 15 maart 1840.
    "Mijnheer, Wij hebben de eer uw vragen van 5 februari 1840, no 55, te beantwoorden. Aan de afgetreden kerkmeester L. Soesman hebben wij de oude registers, papieren en witboek gevraagd om ze ter hand te stellen. Hij verklaart van zulke aard niets te bezitten bij de aanstelling van kerkmeester.
    1. Onroerende goederen heeft onze gemeente niet, behalve een begraafplaats.
    2. Kerkambtenaren hebben wij tot heden toe niet. Onderwijzer en voorzanger zijn in onze gemeente noodzakelijk maar tot nu hebben wij het niet kunnen regelen, want het is bezwaarlijk de lasten op te brengen.
    3. Uitgaven kunnen berekend worden aan huur van de kerk en andere behoeften op een som van negentig gulden.
    - behalve kerkambtenaren fl. 90.-
    - voorzanger en onderwijzer fl. 180,-
    fl. 270,-
    4. Ontvangsten van het jaar 1839 offer-gelden
    en verhuurde plaatsen in de kerk zijn fl. 126

    Erop vertrouwende dat wij uw vragen naar genoegen hebben geant­woord, was getekend Wijngaard en A. Burger.

    Maar Bloemendal was niet tevreden en schrijft 1 april 1840 een boze brief naar Meerssen.
    "Ik heb de onaangename taak u mijn ontevredenheid te betuigen, niet alleen betreffende de overdracht beantwoording van mijn brief van 5 februari 1840, no 55, maar ook over de onvolledigheid van uw brief van 15 maart 1840 en verzoek u onverwijld de behoorlijke, gedetailleerde rekening over 1839 ter goedkeuring mij te zenden. Voorts verzoek ik u nogmaals de afgetreden kerkmeester te vragen zonder uitzondering goedwillend over te geven en hem te kennen te geven bij verdere weigering een gerechte­lijke vervolging te zullen moeten verwachten.
    Getekend S. Bloemendal."

    Wat zou er aan de hand geweest zijn? Vertikte Soesman de oude archieven af te geven of had hij werkelijk niets, waren er zaken die het daglicht niet konden verdragen, of dacht hij over de periode 1830 - 1839 (Belgie's bestuur over Meerssen) geen verantwoording verschul­digd te zijn aan Bloemendal of wilde hij met Maastricht niets te maken hebben? Zelf heb ik de indruk dat er beslist oude archiefstukken van voor 1830 in het bezit van de Israelitische gemeenschap Meerssen zijn geweest, maar waar zijn ze gebleven? Hierdoor wordt het moeilijk de joodse geschiedenis van Meerssen na te gaan van voor 1830. Het aantal leden van de ringsynagoge was 97 in 1848.

    Op 21 april 1847 kocht men van de heer Hertz Wijngaard, lid van de joodse gemeen­schap, een weide gelegen aan de Kookstraat langs de beek naast de wed. Lecoeur voor fl. 330. Op 21 april 1847 pas­seerde bij notaris Jacob Antoon Wilmar te Meerssen de akte van aankoop van het terrein, waar men de benodig­de stenen zou gaan bakken in twee veldovens. Dit werk werd gedaan door Nico­laas Joseph Hermans uit Puth Schinnen. Bouw­mees­ter J.L. Lemmens uit Beek kreeg de opdracht tot het maken van een plan met bestek en kostenbegroting.

    Toen men later de beschikking kreeg over een ander bouwterrein, Kuileneind, de plaats waar de synagoge zou komen te staan, stond daar een oude schuur die eerst diende te worden afgebroken. De akte werd opgesteld door notaris De Flize te Maastricht op 26 september 1­850. Lemmens maakte een nieuw ontwerp, dat op 7 janua­ri 1851 gereed kwam. Verder had men het voordeel dat er op dit stuk grond nog een huis stond hetwelk men kon gebruiken als kosterwoning. De openbare aanbesteding vond plaats op 8 april 1851 's middags om 2 uur bij de Heer Widdershoven te Meerssen. Dit werd o.a. bekend gemaakt in Journal du Limbourg. Hierbij waren aanwezig de burgemeester en leden van de gemeenteraad, die welwillend hun medewerking daartoe hadden gegeven ter besparing van onnodige notaris kosten.

    De heer Ortt, ingenieur van de waterstaat, woonde al de werkzaamheden van de openbare aanbesteding bij. Deze aanbesteding werd toegewezen aan de heer H. Dolders te Meerssen, die de laagste inschrijver was met een som van fl. 4200,-.
    Tevens werd de heer Berger aangesteld, opzichter van de waterstaat, wonende te Meerssen. Mondeling werd overeengekomen dat het opzichtersloon fl. 100 zou bedragen.
    Het stuk weide, dat voorheen was aangekocht voor de bouw van de nieuwe synagoge aan de Kookstraat, werd doorverkocht aan Christiaan Claessen voor de som van fl. 310,-.
    De nieuwe synagoge werd bekostigd uit een fonds dat door de joodse ge­meenschap was opgericht op 8 maart 1843 (op 20 maart 1843 goedgekeurd door de Hoofd Commissie tot Zaken der Israëlieten voor het Synagogaal ressort Limburg en op 30 maart 1843 door de Hoofdcommissie tot Zaken der Israëlieten te Den Haag).

    Het fonds kwam aan zijn middelen door gelden uit:
    a. wekelijkse vastgestelde vrijwillige bijdragen
    b. vrijwillige buitengewone bijdragen
    c. offergelden door de inschrijvers
    d. collectes
    e. vrijwillige bijdragen
    f. geldelijke steun van gemeente en rijksoverheid

    Het reglement van het fonds hield ondermeer in:
    1. Zij die zich verplichten een door hen zelf te bepalen som bij te dragen maar niet konden schrijven moesten dit verklaren in tegenwoordigheid van twee getuigen, die dan uit naam van betrokkenne tekenden.
    2. Hij die deze bijdrage voor een of meerdere personen betaalde, moest dit doen onder voorwaarde dat hij zulks verklaarde bij ondertekening en met naamsaanduiding van de persoon of personen namens wie bijgedragen werd, met vermelding van de grootte van het geschonken bedrag.
    3. De verplichting tot bijdrage aan het fonds werd aangegaan voor de duur van maximaal drie jaar.
    4. Personen die na sluiting nog genegen waren tot een wekelijkse bijdrage, moesten zich verplichten bij te betalen voor de periode vanaf het moment dat de opening van het fonds verlopen was, alsmede een verhoging van 1% per maand op deze som te betalen. Deze verhoging kwam ten goede aan het algemeen fonds en zou niet van invloed zijn op de verdeling van de zitplaatsen.
    5. Elke inschrijver mocht een vrijwillige bijdrage naast de gewone bijdragen doen. De extra bijdrage mocht echter nooit minder dan 10 cent bedragen. Deze gift werd bij het bedrag van inschrijving aangetekend en bij de verdeling van de zitplaatsen in aanmerking genomen. De extra bijdrage kon de gever nimmer van zijn wekelijks verplichte bijdrage ontheffen.
    6. Collectes werden gehouden door de gehele gemeente met toestemming van het bevoegd gezag.

    De eerste personen die betaalden aan het tot stand komen van de synagoge waren:

    naam plaats vanaf bedrag/week
    Wijngaard Michel Meerssen 17.04.1843 25 cent
    Soesman Abraham Meerssen 17.04.1843 20 cent
    Soesman Leyser Meerssen 17.04.1843 25 cent
    Soesman Leon Meerssen 17.04.1843 10 cent
    Wijngaard Hertz Meerssen 17.04.1843 25 cent
    Lazarus Joseph Haasdaal 17.04.1843 20 cent
    Alba Izaac Leo Haasdaal 17.04.1843 10 cent
    Wijngaard Salomon Meerssen 17.04.1843 10 cent
    David Leeb Rothem 17.04.1843 15 cent
    Hertog Abraham (Joseph) Meerssen 17.04.1843 15 cent
    Soesman Joseph Meerssen 17.04.1843 8 cent
    Karel Leon Meersen 17.04.1843 10 cent
    Wijngaard Meijer Meerssen 17.04.1843 15 cent
    Soesman Alexander Meerssen 17.04.1843 15 cent
    Wijngaard Izaac Meersen 17.04.1843 10 cent
    Hertog Hendrik Meerssen 17.04.1843 10 cent
    Marx Philip Meerssen 17.04.1843 10 cent
    Zeligman Jacob Meerssen 17.04.1843 5 cent
    Soesman Ambrosius Meerssen 17.04.1843 15 cent
    Lefebre David Eysden 17.04.1843 10 cent
    Soesman J. Meerssen 17.04.1843 8 cent
    Bannenik Haasdal 17.04.1843 10 cent
    Karel Joseph Rothem 17.04.1843 5 cent
    Bannendik Jacob Haasdal 17.04.1843 5 cent
    Bannendik David Haasdal 17.04.1843 5 cent
    Wijnhuizen Mozes Valkenburg 17.04.1843 15 cent
    Wijnhuizen Corsmans Valkenburg 17.04.1843 15 cent
    Soesman Max Meerssen 17.04.1843 5 cent
    Burger A. Haasdal 17.04.1843 20 cent
    Caan David Meerssen 01.01.1946 10 cent
    Alba Jacob Haasdal 01.01.1846 5 cent
    Caan Michiel Haasdal 01.11.1849 25 cent
    Caan Jacob Haasdal 01.11.1849 5 cent
    Soesman Hertz Meerssen 01.10.1850 5 cent


    In het reglement van de Stichting Synagoge was onder meer de verdeling van de zitplaatsen geregeld.
    Deze luidt als volgt:
    1. Zodra de bouw voltooid is zullen de zitplaatsen genummerd worden. De zitplaatsen rechts en links zullen een afzonderlijk serienummer dragen, beiden vangen aan met nummer 1 en tellen vervolgens door.
    2. De zitplaatsen, aldus genummerd, zullen aan de inschrijver worden toegewezen, afhankelijk van de door hem bijgedragen totaalsom, zodanig dat hij die het meeste heeft bijge­dragen zitplaats nummer 1 rechts toegewezen krijgt, diegene welke volgt zit­plaats nummer 1 links, daarop volgende zitplaats nummer 2 rechts enz.
    De overblijvende plaatsen dragen de naam van gereserveerde plaat­sen.
    3. Wanneer bij sluiting van het fonds bevonden wordt dat iemand minder dan 25 gulden geschonken heeft aan wekelijkse bijdragen, dan wordt deze persoon geen zitplaats aangeboden. Uitzondering hierop vormen zij die kunnen bewij­zen dat zij onvermogend zijn. Zij kunnen geheel of gedeelte­lijke vrijstelling krijgen.
    4. Indien er na het overlijden van de eigenaar van een zitplaats geen wettige erfgenamen hier in de gemeente aanwezig zijn, dan zullen de erfgenamen buiten de gemeente verplicht zijn de opengevallen zitplaats aan een inwoner van de gemeente te verko­pen. Gebeurt dit niet binnen 5 jaar dan vervalt het recht op de zitplaats aan de joodse gemeente van Meerssen.
    5. Eenmaal per jaar zullen de kerkmeesters overgaan tot publieke verhuring en verkoping van de gereserveerde plaatsen na behoorlijk vooraf gedane publikatie van de vast te stellen voorwaarden.

    Hij die een zitplaats had kon deze dus verkopen, verhuren of schenken. Door dit systeem deden zich in de loop der tijd herhaaldelijk problemen voor. Soms trok men zich van vaste zitplaatsen niets aan.
    Zo was er een jongeman, Abraham Caan uit Beek, die zich van de zitplaatsregelingen in Meerssen niet veel aantrok en regelmatig op de verkeerde plaats ging zitten. Dit tot ergernis van de kerkenraad, die hem een brief schreef waarin men hem mededeelde dat hij plaats moest nemen op de voor bezoekers bestemde zitplaatsen. Men dreigde met maatregelen, indien hij niet zou luisteren naar hun waarschuwing. (Zie verder over problemen van verpachting).


    In het bestek van de bouw van de Synagoge was ondermeer opge­nomen:
    a) Tijdens de bouw van de synagoge zal uit de gemeente of daartoe benoemde leden een opzichter aangesteld worden, die met het plan en bestek bekend is en die gedurende de werkzaamheden toezicht zal houden en naar wiens bevelen, zowel als die van de opzichter van het rijk, de aannemer zich heeft te gedra­gen. De maat waarmede gemeten zal worden, zal de Nederlandse El en het gewicht het Nederlandse pond zijn.
    b) De mergelblokken voor lijsten en dekstenen moeten de beste Sibber blokken zijn, zonder enig gebrek, en goed op hun legger ge­plaatst worden.
    c) Aan de ingang van de synagoge komt een dubbele deur, vervaardigd uit vijf eiken vergaring en drie duims eiken panelen.
    d) Zitbanken ieder ter lengte van 2 El. vijf duim, verdeeld in 4 plaatsen .... wat het werk betreft moet zij juist zijn, gelijk die (Maastricht) in de Hoofd Synagoge ter grootte volgens ... voor het overige met hun heel toebehorende aan die in voor­noemde Synagoge.
    e) Na goedkeuring der aanbesteding, zal de aannemer dadelijk met zijn werk beginnen en zal binnen de zes maanden na dato geheel voltooid zijn, op straffe van een boete van 5 gulden voor elke dag vertraging.
    Met uitzondering van het gehele meublement, zal het gebouw op 1.4.1852 geheel opgeleverd worden.
    f) Indien het soms mocht gebeuren dat er later tussen de opdracht- gevers en de aannemer een geschil ontstaat, zullen zij wederzijds gehouden zijn zich aan de beslissing van de Heren Gede­puteerde Staten te onderwerpen, zij zullen in geen geval enig rechtsge­ding tegen elkaar mogen aanspannen.

    Op 5 juli 1848 werd voor de eerste maal per brief een subsidieverzoek ingediend bij de gemeente Meerssen voor de bouw van de nieuwe synagoge. Dit verzoek werd afgewezen, per brief van 31 juli 1848, met als grond dat bij de gemeente Meerssen voor de sedert lange tijd voorgeno­men aanschaf van een pastorale woning in het gehucht Limmel en voor het bouwen van een put te Raar tot op heden nog geen geldelijke middelen voorhanden waren. Men zou pas daarna op het verzoek voor een subsidie gunstig kunnen reageren. Ook van het Rijk kreeg men niets. Bij beschikking van 24 februari 1848 deelde minister S. van Heemstede mede, dat door de beperking van rijksuitgaven aan het verzoek om subsidie niet kon worden vol­daan. Hierop richtte het kerkbestuur op 9 april 1849 zich in een brief tot Koning Willem III voor ondersteuning. Weer wendde het kerkbe­stuur zich met een brief, gedateerd 26 november 1849, aan de gemeente Meers­sen, waarin men betoogt dat door de verkoop van gemeentegronden volgens het kerkbestuur de gemeente Meers­sen wel geldmiddelen voorhanden heeft, dat bovendien alle geloofsovertuigingen voor de wet gelijk zijn en aangezien het joods kerkgenootschap nog nimmer iets heeft genoten men durft op te merken billijkerwijze ook gelijke aanspraak te hebben, en er dus geen wettige of billijke reden kan zijn dat eerst voor andere onderwerpen die reeds vroeger ondersteuning uit de gemeentekas hebben genoten, zou moeten worden gezorgd en pas later de belangen van het joods kerkgenootschap.
    Weer werd het verzoek afge­wezen. De gemeente Meerssen deelde het kerkbestuur op 6 december 1848 bij monde van burge­meester Kissels mede, overwegende dat de afbouw van de pastorale woning te Limmel nog niet in zo verre tot stand gebracht is en de behandeling van de put te Raar een zaak van overwe­ging zal moeten uitmaken; daarna zal de financiële toestand van de gemeente worden herbezien.
    Een klein lichtpuntje kwam met de brief van 21 september 1850, waarin de Minister van Justitie, voorlopig belast met het bestuur voor zaken der Hervormde Eredienst, de heer Rosenthal, aan het kerkbe­stuur te Meerssen meedeelde dat - indien 's lands om­stan­digheden het mochten toelaten - een bedrag uitgetrokken zou worden op de staats­begroting.
    De gedeputeerde Staten van Limburg delen op 29 januari 1851 aan de Israelitische gemeenschap te Meerssen mede dat zij voor een subsidie onder be­paalde voorwaarden in aanmerking komt. De subsidie bedroeg fl. 400,-.

    In 1851 werd de gemeente Meerssen nogmaals verzocht om subsidie. Men kreeg geen medewerking. Zelfs de Gedeputeerde Staten verzochten de gemeente Meerssen om medewerking door in de begro­ting een subsidiebedrag op te nemen. In een brief van Gedepu­teerde Staten wordt gesteld dat er gelijke rechten en bescherming voor iedere godsdienstige overtuiging moest zijn en dat de gemeente Meerssen voorwendsels of uitvluchten achterwege moest laten en de burgemeester de gemeente-raad van Meerssen het standpunt van Gedeputeerde Staten moest kenbaar maken.

    Maar de gemeente weigerde halsstarrig, waarop Gedeputeerde Staten de volgen­de brief aan de gemeente zond.
    "In antwoord op uwe deliberatie van 22 juli jl., no. 169/81, geven wij bij deze te kennen, dat te Meerssen eene sinds lang erkende Israëlitische gemeente bestaat, welke reeds in 1816 als Ring Synagoge is benoemd; zodat het niet meer kan te pas komen om te onderzoeken of de gemeente, wat het aantal zielen be­treft, al dan niet de bevoegdheid heeft om een kerk gebouw voor hare Eredienst te Meerssen daar te stellen.
    Uw Edelachtbaren zullen hieruit afleiden, dat door de verlening van een gemeentelijk subsidie tot dat einde, uw verantwoordelijk­heid in geene deele in de waag­schaal wordt gebragt terwijl die verantwoordelijkheid daar en boven gedekt wordt door de hogere goedkeuring, aan welke de begroting der gemeentelijke uitga­ve is onderworpen."

    In 1852 werd door de gemeente Meerssen subsidie verleend maar men kan gerust stellen: dat ging niet van harte.

    Op 8 mei 1853 werden de zitplaatsen als volgt verdeeld, vol­gens door de leden opgebrachte bedragen.

    nr

    Links

    met een som van

    nr
    Rechts
    met een som van
    1 Soesman Abrahan fl. 209,30 1 Wijngaard Michel fl. 230,14
    2 Burger August fl. 184,51 2 Soesman Leijser fl. 189,45
    3 Caan Michel fl. 150,30 3 Wijngaard Hertz fl. 165,07
    4 Gereserveerd 4 Gereserveerd
    5 Soesman Ambrosius fl. 110,29 5 Caan David fl. 96,01
    6 Soesman Alexander fl. 96,62 6 Wijngaard Meijer fl. 99,04
    7 Wijngaard Korsman fl. 95.20 7 Caan Jacob fl. 96,01
    8 Gereserveerd 8 Gereserveerd
    9 Hertog Joseph fl. 93,02 9 Wijngaard Izaak fl. 95,00
    10 Soesman Leon fl. 60,30 10 Marx Philip fl. 78,02
    11 Alba Leo fl. 57,24 11 Wijngaard Salomon fl. 58,21
    12 Gereserveerd 12 Gereserveerd
    13 Soesman Joseph fl. 54,86 13 Hertog Hendrik fl. 55,15
    14 Soesman Jacob fl. 48,24 14 Bennedik Joseph fl. 54,46
    15 Soesman Hertz fl. 34,54 15 Alba Jacob fl. 47,91
    16 Gereserveerd 16 Gereserveerd
    17 Bennedik David fl. 26,10 17 Bennedik Jacob onleesbaar

    Eindelijk was het dan zover dat op vrijdag 17 juli 1853 de nieuwe synagoge in gebruik genomen kon worden. Voordat dit alles gebeurde werd in de oude kerk de gebruikelijke af­scheids­rede door de Opperrabbijn gehou­den en Psalm 122 gezon­gen, waarop de plechtige inwij­ding kon plaatsvin­den. De dag erna, op zaterdagochtend 18 juli 1853, werd om 7.00 uur een dienst gehouden, waarin door het koor gezongen werd en de Opperrabbijn een rede hield.
    Hiervoor had zich bij de gemeenteraad nog het volgende afgespeeld.
    Op 20 juni 1853 werd de gemeenteraad officieel uitgenodigd voor het bijwonen van de inwijding van de synagoge. Deze invitatie bracht grote beroering teweeg. Raadslid L'Ortije stelde voor om slechts een deputatie van twee leden af te vaardigen, maar dit voorstel werd verworpen. Men was van mening dat de voltal­lige raad acte de prèsence moest geven.
    Op 30 juni 1853 deed L'Or­tije de suggestie dit besluit alsnog in te trekken. De stemmen staakten, waarop men besloot het innemen van een definitief standpunt uit te stellen.
    Op 5 augustus 1853 con­cludeerde men dat het niet meer nodig was om een besluit te nemen, omdat de synagoge op 17 juli 1853 al was ingewijd.

    In "Scolae Judeorum" staat het volgen­de:
    "De plechtige inwijding begon met een processie naar Limburgs model. De volgorde was als volgt: eerst iemand die de nationa­le vlag droeg, dan paars­gewijze de leden der Joodse gemeente welke aan het fonds hadden bijgedra­gen.
    Daarachter diegenen die niet aan het fonds hadden bijgedragen en de vreemde Israëlieten. Hierna volgde de Harmonie. Vervolgens de leden en koorkinderen van het Joodse koorgenootschap te Maas­tricht. Dan zes jongelingen, eenvoudig gekleed en vaantjes in de hand dragend. Daarachter zeven meisjes, ook eenvoudig gekleed, met bloemkorven in de hand. Toen schreed de Hoog Eerwaarde Heer de Opperrabbijn onder een baldakijn, met drie daartoe genodigde andere Israëlieten, welke met behulp van vier daar­toe aangewezen jongelingen, de Heilige Wetsrollen en overige religieuze voorwerpen droegen. Achter het baldakijn volgden de leden van het kerkbestuur en de commissie tot de opbouw der nieuwe kerk der gemeente en ten slotte de kerkbesturen van andere gemeenten. Bovendien werd de processie nog opgeluisterd door 'n aantal Marechaussees, benevens een deta­chement Infante­rie van 60 man­schappen onder leiding van een officier, die de Heer Opperbevelhebber der vesting Maastricht, op het daartoe gedane verzoek, wel herwaarts heeft willen zenden. Een ge­deelte hiervan heeft de processie geopend, terwijl de overigen er naast liepen om de rust en goede orde te bewaren. Voor de ingang van de synago-ge, die van binnen versierd was, stonden drie erebogen opgesteld. De meisjes met de bloemenkorven plaatsten zich voor de ingang om bij het verschijnen der Heilige Wetsrollen bloemen te strooien. Het koor begaf zich naar de "Biema" (soort altaar). De Harmonie stelde zich aan de zijde van de kerk op en hief het Volkslied aan op het moment dat de Wetsrollen het voorportaal binnen werden gedragen. Vervolgens werden de Heilige Wetsrol­len op de gebruike­lijke wijze tot op de Biema gebracht ten einde de verdere gebeden en gezangen met het houden der zeven ommegangen uit te voeren, waarna de Opperrabbijn de Wetsrollen in de Ark plaatste en deze sloot. De bedoeling was, volgens het programma, dat achter de Opperrabbijn in processie naar de nieuwe synagoge de burgemeester en gemeenteraad van Meerssen zouden lopen. Dit werd om onbekende reden niet gedaan. Ook werd de kerk, wat wel de bedoeling was, niet door de burgemeester geopend, maar zat hij bij andere autoritei­ten in de kerk."

    Zo'n processie naar Limburgs model wijst erop dat de Limburgse joden zich sterk aan hun omgeving hadden aangepast. Woorden als joodsekerk, koster, kerkhof en ouderling geven dit aan.

    Ook in deze synagoge blijkt het Oranjegezindheid van de joodse gemeenschap te Meerssen uit een tekst aan de muur in de synagoge:

    Hij die den Koningen hulp den Vorsten
    Bescherming verleent,
    Wiens Rijk het Rijk aller Eeuwigheid is,
    Hij Zegene en Bescher­me Onze Koning.

    Hij Zegene de Koningin moeder Emma.
    Koning aller Koningen, Uwe Beschermingen
    De Geest geleide die Vorstinne
    Op al Hare wegen geleide de Koning
    Tot Haar eigen Geluk tot Heil des
    Vaderlands en tot Welgevallen.

    O God
    Amen.

    De synagoge. uiterst schilderachtig gelegen achter de oostelij­ke huizenrij van de Kuileneindestraat, is toegankelijk via een trap met hardstenen treden en een ovaal terras - halfrond beëindigd. Het geheel is afgedekt met een daktorentje waarop de Davidster prijkt. Het is een charmant gebouw, dat ondanks de ijzeren ramen een haast 18e eeuwse indruk maakt doordat de kroonlijst bij elke pilaster uitspringt. De synagoge is geheel opgetrokken in baksteen, behalve de vlakke, neo-classistische kroonlijst van mergel die als een architraaf rond de bovenzij­de van de muren loopt en bij elk pilaster uitspringt.

    Aan de binnenzijde is de neo-classicistische invloed onmiskenbaar. De ingang van de synagoge is gelegen in het westen, in de halfronde beëindiging. Boven de ingang staan in een kleurrijk raam de Stenen tafelen en in het Hebreeuws het 6e vers uit de 90e psalm "Werpt U neder voor Jahweh in zijn heilige woning." Daarachter het jaartal: A.M. 5611 (dit is A.D. 1851). De ruitjes hebben een felle rode, blauwe of oranje kleur.
    Gaat men door de deur naar binnen dan komt men in een klein portaal. In de synagoge zelf vindt men een trap naar de vrou­wengalerij. De vrouwengalerij (soort van oksaal) kreeg rondom langs de muren een zitplaats voor ieder persoon afzonderlijk, terwijl voor vreemdelingen banken onder de vrouwengalerij stonden.

    Een synagoge kent drie hoofdelementen die als uitgangspunt voor een ontwerp gelden, te weten: de aroon hakodesj of heilige ark tegen de oostwand, bestemd voor het opbergen van de wetsrol­len; de almemor of bima, het verhoogde gedeelte waar de Tora wordt voorgelezen; en de vrouwengalerij in het westen, net als de synagoge van Maastricht die in de jaren 1839-1840 gebouwd is.


    Gaan we verder over de verpachting van de zitplaatsen in de synagoge.

    Hij die dus een zitplaats bezat kon deze verkopen, verhuren of schenken. Door het systeem van verpachting deden zich in de loop van tijd herhaaldelijk grote problemen voor in de joodse gemeen­schap van Meerssen.

    Zo is er de brief van 23 augustus 1853 van de heer J. Hertog aan de heer Bloemendal, waarin hij het volgende schrijft:
    "Ondanks herhaalde en vriendelijke aanvragen, blijft het kerk­bestuur der Israelitische gemeente alhier weigerachtig om aan mijn zonen een andere plaats in de kerk te verhuren dan een der laatste banken, zulks zonder enig wettige redenen op te geven, waaruit men moet afleiden, dat zij enkel op willekeur berust. Ik heb mij nimmer aan mijn verplichting als lid der gemeente onttrokken, daarintegen steeds naar vermogen bijge­dragen, ten blijke hiervan, dat ik eigenaar ben van twee plaatsen in de kerk, waarvoor ik meer dan fl. 140,- heb gecon­tribueerd. Ik verwacht daarom op een meer beleefde handelwijze van de zijde onze kerkmees-ters te mogen aanspraak maken, die tevens ook meer met het geldelijk belang van onze gemeente zou stroken. In deze stand van zaken, neem ik de vrijheid Uw.Ed. beleefdelijk te verzoeken, te willen beoordelen dat aan mijn zonen voegzame plaatsen in de kerk tegen billijke prijzen worden verhuurd, zijnde dezelve bereid, om, even als zij vroeger hebben aangeboden de huurprijs bij anticipatie te voldoen."

    Hierop antwoordde de kerkmeesters op 4 september 1853 aan de heer Bloemendal.

    1. Dat wij, na vooraf in de kerk behoorlijke gedane aankondiging op zondag de 10 juli j.l. zijn overgegaan tot verhuring van de opengebleven zitplaatsen, waarvan 6 verhuurd zijn geworden, terwijl er zich voor de 7 nog overblijvende, geen liefhebbers hebben aangeboden, zodat wij het onnodig hebben geacht, over te gaan tot de verhuring der gereserveerde zitplaatsen, [worden] en wordt dit overigens ook niet uitdrukkelijk bij het reglement bevolen.
    2. Dat de twee zonen Hertogs, bij verhuring zijn tegenwoordig ge­weest, doch op geen der opgeveilde plaatsen, (welke niet in de laatste bank voorkomen en zo ons dunkt voor hun persoon conven­tabel genoeg) hebben geboden, zodat zij het zich zelf te wijten hebben, zo thans geen andere (buiten de gereserveerde) meer te verhuren zijn, dan die, in de laatste bank.
    3. Dat indien de genoemde Hertogs een of twee zitplaatsen hadden gehuurd, welke thans aan anderen zijn toegewezen, deze laatsten geen bezwaar zouden hebben gehad zich een zitplaats in de laatste bank te huren.
    4. Dat het waar is, dat meer genoemde J.Hertog met zijn oudste zoon, zich nimmer (akte verder niet leesbaar) hun verschuldig­de offer en ceremonie gelden en huur van zitplaatsen, hebben betaald, dan na verschillende aanma­ningen en soms zijn wij genoodzaakt geweest, daartoe uiterste maatregelen te hebben moeten gebruiken, tot bewijst hiervan dient, dat zij sedert april 1852 tot heden hun verschuldigde fl. 8,63 nog niet hebben vol­daan, terwijl een der 2 zonen waarvan sprake is nog niets heeft opgebracht, en de andere al hoewel hij iets contribueerde, ook het door hem verschuldigde over gemeld tijdstip nog niet heeft betaald, zijnde fl. 1.43 welke laatste in het geheel heeft opge­bracht de som van fl. 3.24.
    5. Eindelijk geven wij Uw.Ed. te kennen, dat bij de sluiting van het fonds, voldaan is geworden, aan de bepalingen van art. 41, 42 en 43 van het reglement en dat daarbij zowel de prijzen van de gereserveerde als van de opengebleven plaatsen, zowel voor verhuring als verkoping zijn vastgesteld en geregeld.
    Getekend, De kerkmeesters der Israëlitische Gemeente Meerssen.

    Schijnbaar klopte toch iets niet met de uitvoering van art. 42 en deelden de kerkmeesters aan Bloemendal mee:
    "Ter voldoening aan art. 42 van het regle­ment van het fonds voor de opbouw van de nieuwe kerk hebben wij de eer u te berichten dat wij na ons deswege gemaakte en afgekon-digde voorwaarden, op heden zijn overgegaan tot publieke verkoping en verhuring van de gereser­veerde en open gebleven zitplaatsen, waarvan de uitslag is geweest, dat de zonen Hertogs te Meerssen en Cahn te Valken­burg ieder een zitplaats in de laatste bank hebben gehuurd, zodat daar omtrent alle geschillen uit de weg zijn geruimd. Tot koop hebben zich geen liefhebbers aangeboden."

    De heer Bloemendal kreeg schijnbaar genoeg van deze en andere klachten. Hij schreef de kerkenraad aan en verzocht enigszins spoedig op de bijgaande klacht van J. Cahn te Valken­burg, bericht en advies te verstrekken:
    " …… daarbij moet ik u opmerken, dat in alle gevallen de bepalingen van het reglement voor de opbouw der kerk getrouw moeten worden nageleefd, ter­wijl een aloud gebruik ten aanzien van personen, welke in vroegere jaren bijdragen hebben verstrekt en ongelukkig genoeg tot onvermogen zijn geraakt, vordert dat men hun oude rech­ten niet verkort en daar waar het kan, vooral met het bewaren van rust en eendracht, men hen op een billijken wijze behan­delt."

    Wat waren de klachten van Jacob Cahn te Valkenburg? Jacob Cahn zegt dat hij tot de kerkelijke gemeente van Meerssen behoorde, zoals zijn overleden vader, en sinds een reeks van jaren de gemeente enige gelden schuldig is gebleven, maar ook in de onmogelijkheid verkeerde om het zijne bij te dragen aan opbouw van de nieuwe synagoge. Thans weer tot enig vermogen gekomen, wendde de ondergetekende zich tot de kerkmeesters te Meerssen, met het verzoek om in de kerk aldaar een plaats te verhuren, aanbiedende de huur van 15 maanden vooruit te beta­len plus het bedrag dat hij achterstallig was in termijnen te zullen afbetalen; betaling in eens zou onmogelijk zijn. Dit verzoek werd hem echter geweigerd, op grond van het feit dat hij nog gelden aan de gemeente schuldig is en dat hij niet aan de kosten van de opbouw van de kerk heeft bijgedragen.
    "De kerk­meesters rekenen mij dus mijn vroegere onvermo­gen als een zonde aan, en verlan­gen dat ik plaats neem onder de kolommen, alwaar steeds een menigte kleine, ja zeer kleine kinderen opgehoopt is, en dus de uitoefening van het gebed onmogelijk is. Wanneer men deze wijze van handelen vergelijkt met de welwillendheid waarmee andere gemeenten, bijvoorbeeld Maastricht, hun leden der gemeente behandelen welk buiten hun schuld niet meer kunnen bijdragen, hun zelfs zit­plaatsen gratis worden toegewezen, zal u kunnen beseffen, welk pijnlijk gevoel zij verwekken bij de ondergetekende, die men op bijna 60 jarige leeftijd, in strijd met alle recht en billijkheid, in strijd met de belang­en der gemeente en in strijd met alle goddelijke en menselijke voor­schriften wil beletten, om zijn gebeden in Gods heilige Tem­pel, naar behoren te richten aan Hem, die geen onderscheid tussen (niet leesbaar ... ) en wel wegens de viering zijner hoge feestdagen aan zijn billijk verzoek het gewenste gevolg worden gegeven.
    Getekend, J. Cahn. "


    Het kerkbestuur moest zijn houding nogmaals verklaren en deed dat op 4 september 1853 als volgt:

    "Een klacht die geheel en al ongegrond was en onwaar is, waar­door wij ons verplicht vinden, de handelwijze van die persoon aan de dag te leggen. In het jaar 1830, waren J. Cahn en zijn vader M. Cahn leden van de Isr.gem. Mee­rssen. Zodra de omwenteling in België uitbrak waren zij de enige die onze gemeente in oproer brachten en zeiden: "Wij zijn nu Belgen en kennen geen kerkmeesters noch verordeningen meer". Zij waren toen nog fl. 11,- schuldig, die tot heden nog niet betaald is. Zij namen toen al hun boeken uit onze kerk, ja zelfs een wetsrol, die in onze kerk stond en maakten te Valkenburg een huissynagoge.
    J. Cahn was ook Bazuin­blazer bij ons en was in het bezit van een Sjofar van de ge­meente, nam die mee en deze is tot heden niet teruggegeven. (Sjofar is een blaasinstrument volgens de traditie een ramshoorn, het roept de mensen op tot inkeer op Rosj ha-Sjana, het feest van het joodse nieuwjaar volgens de maandkalender.) De huissynagoge te Valkenburg veroorzaakte in onze ge­meen­te veel onrust en schade, die duurde tot in het jaar 1839. Toen vertrok M. Cahn (zijn vader) naar Vaals en de synagoge te Valken­burg hield op te bestaan. J. Cahn was toen geen lid der ge­meente meer, hij ging dan eens hier dan eens daar naar de kerk en bemoeide zich niet meer met Meerssen. In 1840 werden in onze synagoge enige zit­plaatsen verhuurd, hij vernam dit en kwam een plaats huren voor f 2,-- per jaar, hij bezat die plaats tot 1848 en is uit dien hoofde alsmede wegens offergelden heden nog schuldig de som van fl. 18,90, welke ondanks vriendelijke aanmaningen hij weiger­achtig bleef te betalen en niets meer van zich liet horen. Hem werden echter geen rechten in de kerk ontnomen en men liet hem onge­stoord. Op het moment dat plaatsen welke niets opbrachten opnieuw verhuurd moesten worden, omdat de gemeente de schade niet kon lijden, hebben wij de zitplaats van J. Cahn [met] aan een ander opnieuw ter verhuring aangeboden, onder voorwaarde dat de huurder steeds 6 maanden vooruit moest betalen. J. Cahn kwam zelfs niet om te huren, maar zond zijn zoon Salomon, die ook werkelijk een zitplaats huurde voor fl. 2,70 per jaar. Hij betaalde dadelijk de helft, zijnde fl. 1.35. De plaats is van die tijd af, dan eens door J. Cahn en dan eens door zijn zoon bezet geworden, zonder sedert gemeld tijdstip nog iets te hebben voldaan, zoodat alweer uit diens hoofde alleen, nu nog te betalen blijft fl. 13.50, zonder in aanmerking te nemen de offergelden, sedert 1848.
    Innen zou vergeefse moeite zijn. Niettegenstaande dit of een ander, zijn hem enige rechten in de kerk ontnomen, maar zijn hem integen­deel de zelfde gelijk als een andere ingezetene toegekend, om alle onenigheid en onrust te voorkomen. Enige tijd voordat wij naar de nieuwe synagoge gingen werd in de kerk afgekondigd, dat men op 10 juli de openge­bleven zitplaatsen in de nieuwe synagoge zou gaan verhuren, op voorwaarde dat een ieder die genegen was te huren, zich van geld moest voorzien, daar het bedrag van de toewij­zing dadelijk betaald moest worden. Hierop begon J. Cahn met luide stem in de kerk te roepen en te schreeuwen dat hij die reglementen niet hoefde na te komen en niet gehouden was bij de verhuring een zitplaats vooruit te betalen en dat hij dat niet in termijnen kon voldoen. Wij hebben hem met rust gelaten, en niet geantwoord. Zaterdags na de inwijding van de nieuwe synagoge ging hij ter kerke en nam midden naast de Biem plaats. Toen de kerkdienst geëindigd was zei hem de eerste kerkmeester, dat het daar niet zijn plaats was, dat hij in het vervolg onder de kolommen moest gaan staan, omdat hij geen eigen noch gehuurde zitplaats had, waarop hij antwoordde: "Ik dank u voor de genadige straf. Heden over acht dagen kom ik weer terug, dan kunt u uw best doen." En werkelijk zater­dags daarna kwam hij weer naar de kerk en ging op de zelfde plaats staan, nogmaals zei hem de eerste kerkmeester: "U moet onder de kolommen gaan staan." Hij deed dit echter niet en bleef staan. Geen verdere woordenwisselingen hebben plaatsgevonden.
    Tenslotte zij het ons geoorloofd u te melden dat hij ons nooit enige reden heeft opgegeven waarom hij niet wil of kan beta­len, en nimmer heeft aangeboden om het door hem verschuldigde bij termijnen te voldoen of om een te huren zitplaats 15 maan­den vooruit te betalen, zodat zijn klacht in alle gevallen met de waarheid strookt, en laten derhalve aan het oordeel van u over, om te beslissen over de handelwijze van de kerk­meester of van die der klagers.
    Getekend, Kerkmeesters der Israelitische gemeenschap, Meerssen."

    Het kerkbestuur kwam er ook niet zonder kleerscheuren van af want de heer Bloemendal merkte op:

    "Ondanks de door u bijgebrachte redenen dat deze personen voortaan door u geen gunste behoeft te worden bewezen, nemen echter het feit niet weg, dat blijkens uw eigene rapporten door u strijdig is gehandeld tegen art. 42 van het reglement voor de opbouw van de kerk, waarbij duidelijk is voorgeschreven, dat een­maal in het jaar tot publieke verhuring en verkoping der gereserveerde en openblijvende plaatsen in de kerk moet worden overgegaan, na behoorlijke vooraf gedane publicatie en daarbij te stellen voorwaarden.
    De omstandigheden dat zich geen huurders of kopers zouden aanbieden geeft geen bevoegdheid om deze duidelijke bepaling van het reglement te overtre­den, zelfs tot het kopen moeten de gereserveerde en opengebleven plaatsen aan de vastgestelde prijzen opgeveild worden. En is er niemand, die een opbod doet, dan is door u aan het reglement voldaan. En aangezien nu door u de gereserveerde plaatsen niet ter verhuring zijn aangeboden, moet zulks in alle geval onmiddellijk nog ge­schied­en, na vooraf gemaakte en afgekondigde voorwaarden en spreekt het van zelf dat die voorwaarden door u kunnen worden bepaald, dat zij, die vroeger iets aan de gemeente verschul­digd zijn te de huren zitplaatsen vooruit moeten betalen en zelfs hun achterstallige schuld bij gedeelten moeten voldoen, daar men ook niet zo onbillijk moet te werk gaan, om juist ineens de gehele schuld van vroegere jaren te vorderen. Zal ik ten spoedigste van u bericht ontvangen in afwachting dat aan het reglement is voldaan en dat ik aan de adressanten kan antwoor­den."

    Dat niet alle zitplaatsen konden worden gekocht of verhuurd blijkt uit de prijzen welke hiervoor werden gevraagd. Zo kosten de duurste plaats bij koop fl. 200,- of fl. 15 huur per jaar. De goed­koopste plaats bij koop
    fl. 60,- of bij huur fl. 2.80, wat voor velen te grote bedragen waren omdat de meesten armlastig waren.

    Zo ging Abraham Caan winkelier te Beek, uit onvrede niet meer in Beek naar de synagoge en wilde hij geen kerkbelasting meer betalen. Hij was namelijk niet herkozen als manhigim. Het gevolg was dat de joodse gemeente Beek de bijdrage voor de opperrabbijn niet meer kon betalen. Beek vroeg het kerkbe­stuur van de hoofdsynagoge Maastricht om raad, zeker nu Caan in Meerssen te sjoel ging en overwoog hier lid te worden. Maas­tricht overlegde met Meerssen en Meerssen schreef dat Caan inderdaad alhier was gezien, maar dat hij nog geen lid van de gemeente was geworden. De hoofdsynagoge instrueerde Meerssen Caan geen lid te laten worden, omdat Beek dan in financiële moei­lijkheden zou komen. Bij een kleine gemeente als Beek telde het verlies van elk lid zwaar. Meerssen schreef uitein­delijk aan Caan dat hij weliswaar in de synagoge mocht blijven komen, maar dat hij desalniettemin een vreemdeling zou blij­ven.

    In 1862 werden in de nieuwe reglementen voor de joodse ge­meente van Meerssen voor de verhuur van zitplaatsen de volgen­de wijzingen aangebracht:
    art. 132
    De verhuring der kerkzitplaatsen geschiedt ter Synagoge in het openbaar voor de tijd van een jaar, op zodanige wijze en voorwaarden als door de Kerkenraad is of wordt vastgesteld.
    art. 133
    Van de verhuring wordt acht dagen van te voren afgekondi­ging gedaan in de Synagoge.
    art. 134
    Van de huurder kan, alvorens hij tot het in gebruik nemen der gehuurde plaats of zitplaatsen wordt toegelaten, vooruitbeta­ling of borgtocht worden gevor­derd, zomede afdoening van een deel of het geheel zijner restanten in geval hij debiteur der gemeente is, alles behoudens bestaande overeenkomsten.

    Op 26 augustus 1855 deelt het kerkbestuur aan de heer Bloemendal mede, dat de kerkmeesters voortaan niet meer zullen houden de zit­plaatsen te verhuren aan de prijzen die vroeger bij de sluiting van het fonds zijn vastgesteld. Dat zij de zitplaat­sen naar omstandigheden aan een verminderende prijs kunnen verhu­ren, aangezien de meerderheid van de inschrijvers van het fonds voor de opbouw van de nieuwe kerk zich hiertegen niet verzet heeft.
    Bepaald dat te weten voor dit jaar:
    - no. 4 rechts en links op fl. 13,-
    - no. 8 rechts en links op fl. 10,-
    - no. 12 rechts en links op fl. 8,-
    - no. 16 rechts en links op fl. 5,-

    Opengebleven plaatsen:
    - 5de bank rechts en links iedere zitplaats op fl 12,-
    - 6de bank rechts en links iedere zitplaats op fl. 1.80

    Dat er geen verzet was, is niet juist, gezien de brief van 29 augustus 1855.
    "Als ant­woord op vragen van de heer Bloemendal, hebben wij de eer u te laten toeko­men het verzet door de meerderheid der inschrijvers gedaan tegen onze bepaling van dezer maand. Wij hebben gemeend, dat het niet nodig was dit stuk aan u te zenden, aangezien zulks nergens staat geschre­ven, te meer daarop het zelfde handtekeningen voorkomen, aan welke echtheid men heeft te twijfelen, en als dan zouden de meerderheid niet meer bestaan. Twee personen van wie de handte­kening op gemeld stuk voorkomt, hebben reeds mondeling ver­klaard dat zij niet getekend hebben, terwijl een of twee andere getekend hebben, welke wij vernemen niet te kunnen schrijven.
    Wat aangaande dat wij een minimum hadden moeten bepalen, is zulks niet geschiedt, om rede dat de personen die huren moe­ten, alsdan in het denkbeeld zouden verkeren, dat men aan die som moet verhuren en zij zich onderling zouden afspreken om niet op te bieden terwijl wij voorts de stellige overtuiging geven dat wij geen te lage prijzen zullen verhuren, zoals blijkt uit onze brief van 26 dezer maand. Overigs verzoeken wij de voorgestelde bepaling zo het anders niet gaat, maar voor dit jaar alleen te willen goedkeuren, en de zaak zo spoedig mogelijk te willen behandelen, of ons een ander middel aan de hand te doen, ten einde het door ons voorgestelde dit jaar te kunnen ten uitvoer brengen aan wie staat het te bewijzen of de handtekeningen echt of onecht zijn."

    En de problemen bleven aanhouden.

    Op 19 september 1855 beantwoorde het kerkbestuur een brief aan het Nedederlandse Israelitische Hoofd-Synagoge te Maastricht.
    "In antwoord op uw brief d.d. 10 september 1855 begeleidende een brief van J. Caan te Haasdal, gemeente Meerssen, hebben wij de eer u te berichten dat het werkelijk waar is, dat iemand, die in het bezit is van een zitplaats in de manskerk is, geen vrouw heeft, met toestemming van de Kerkmeester een andere vrouw zijn zitplaats in de vrouwenkerk laat staan, en menende dat zulks niet in strijd is met de bepalingen van het reglement voor de slechting van een fonds tot opbouw van een nieuwe kerk te Meerssen, goed gekeurd bij besluit van Hoofd Commissie tot de Zaken der Israëlieten te 's-Gravenhage, de 30 maart 1843 no 397/189 waarvan de hiertoe betrekkende artikelen zullen laten volgen, aangezien wij ons van gemeld reglement niet kunnen ontdoen te weten:
    art. 36.
    Wanneer de zitplaatsen verdeeld zijn, dan is ieder volle eigenaar van de hem toegewezen zitplaats, waarvan hem schrif­telijk bewijs zal worden afgegeven. Hij zal dezelve bij rui­ling, verkoping, verhuizing of schenking aan andere mogen afstaan, zoals hierna vermeld is.
    art. 37.
    De ruiling, verkoping, verhuring of schenking mag alleen maar met uitdrukkelijk toestemming van de kerkmeester der ge­meente geschieden."

    Op 30 november 1855 beantwoorde het kerkbestuur verder een brief van de heer Bloemendal van 1 oktober 1855, no 1795, met een nominatieve opgave van de nog aanwezig zijnde in­schrij­vers bij het fonds voor de opbouw van de nieuwe kerk, en een schriftelijke verklaring van de leden die mondeling hebben te kennen geven het verzet der meerderheid niet te hebben gete­kend of daarvan zijn terug gekomen.

    Op 10 augustus 1855 werd een nieuwe wetsrol ingewijd welke was aangekocht met behulp van gelden uit het fonds gesticht door de vrouwenvereniging. De Wel.Eerwaarde heer S. Cohn, Opperrabijn uit Maastricht, werd uitgenodigd om deze plechtigheid te leiden.

    Het programma zag er als volgt uit:
    Voor de ingang van de kerk werden erebogen geplaatst en de kerk werd versierd, de nationale vlag werd uitgehangen.
    Vrijdagmiddag werd de wetsrol in het schoollokaal gebracht en werd van alle zijden belicht.
    Om 17.00 uur verzamelden de gemeenteleden en belangstellenden, die de plechtigheid wilde bijwo­nen, zich op het plein bij de kerk om de optocht te vergezellen.
    Terwijl het volkslied werd gespeeld droeg de Opperrabijn Wetsrol, onder een door vier in het zwart geklede, ongehuwde personen gedragen baldakijn, binnen, gevolgd door paarsgewijs opgesteld de verzamelde leden, tot in het voorportaal van de synagoge.
    Eenmaal binnen werden zeven omgangen gemaakt. Na de zevende omgang werd de wetsrol op de Heilige Ark geplaatst waarna de Opperrabbijn het inwijdingsgebed uitsprak. Deze hield vervolgens een toespraak, waarna de zegen voor Zijne Maje­steit de Koning, de Staatsdienaren en alle andere autori­teiten in een gebed werd afgesmeekt. Het koor zong de lofzang "Halle­lujah" psalm 150.
    Hierna bad men de gebrui­kelijke Sabbath gebeden.

    De inwijding werd door een groot aantal niet Israëlieten bijgewoond, waaronder de Predikant der Hervormde gemeente, de Raadsheer van het Provinciaal Gerechtshof, de heer Vrijthoff, de heer Burgemeester en enige leden van de gemeenteraad. Tevens waren er verschei­dene andere notabelen van andere gezindten aanwezig.
    De kosten voor de synagoge werden cent voor cent door de Joodse gemeen­schap bijeen geschraapt met het resultaat dat bij de ingebruikname van de synagoge men financieel aan de grond zat.

    Dat de gemeente Meerssen met tegenzin subsidie voor een nieuw synagoge gaf is bekend.
    Maar ook Meerssenaren lieten zich niet onbetuigd, een week na de inwijding van de synagoge werd bovenstaand nog eens dunnetjes overgedaan, Joep de Macker (drinkebroer) voorop. De dronkelappen kregen een boete opgelegd maar een inzameling in het dorp bracht zoveel op dat de processiegangers van dat geld een week daarna nog in de lorem waren. Een grapje? In ieder geval kon men het in het Limburgse wel waarderen.

    Maar voor de poetsende joodse huisvrouw werd het op den duur knap verve­lend als er weer kruimels naar binnen werden gegooid terwijl er alleen ongede­semd brood in huis mocht zijn. En toen de Meerssenaren eind negentiende eeuw met stokken bewapend riepen dat de joden razend waren geworden omdat de zeven gebroeders Hartog door een dolle hond waren gebeten, werd het toch echt al te dol.
    Omdat er zich ook onder de joden personen bevonden welke niet altijd lieverdjes waren, moest men toch oppassen dat niet de gehele joodse gemeenschap van Meerssen hiervoor verantwoordelijk werd gesteld.
    De streken van Elias Levy werden al vermeld, maar zo was er een joodse man die met varkenskoppen langs de deur ging, waar hij dan wel van tevoren de tong van had losgesneden zodat hij die later apart kon verkopen.

    Vooral bij de arme keuterboertjes stonden de joden in een kwaad daglicht, en dan met name de joodse geldschieters als deze boertjes hun leningen niet konden afbetalen.
    Hoge bomen vangen veel wind. Een ander veel voorkomend beroep onder de joden, was opkoper van gebruikte goederen, eveneens desastreus voor hun reputatie. Hierdoor kwam men al snel in aanraking met heling. Daardoor en door hun veelal slechte economische situa­tie zaten er vrij veel joden in de beruchte bokkenrijdersbende van Meers­sen die eind achttiende eeuw in Limburg huis hield.

    We noemen Abraham Nathan, geboren omstreeks 1738 bij Duren en wonende te Beek, geletterd, schreef Hebreeuws,van beroep paardenkoopman en slachter. Gearresteerd 16 juli 1773 en geconfron-teerd met Pieter Pieters, Servaes Luyten en Pieter Keijzer uit Geulle. Op 28 augustus moest hij voor een scherprechter verschijnen. Hij werd veroordeeld tot de galg en het vonnis werd uitgevoerd op 23 september 1773 op de Graetheide. Een van de daarnaar genoemde bokkenrijdersbendes had een tot het jodendom toegetre­den katholiek, Frans Bosbeek, als leider. In het tijd­vak 1790-1798 werd de Meerssener bende door Bosbeek en Picard aangevoerd. Hier of in de nabijheid vond hij Mozes Mainzer, Chie Joma, alias het Generaal­ken en Mozes Gas.

    Een ingezetene van Meerssen, J.H.L. Russel, greep de verhalen over de bokkenrijders dankbaar aan om de joden zwart te maken. Onder zijn hoede dreigde er tij­dens een carnavalsoptocht een anti-joodse uitbarsting, aangewakkerd door programmaonderde­len als “ De Aanbidding van het Gouden Kalf”, “De joodse Sjache­raaren” en “De Reis naar het Beloofde Land”. Het bleef bij een dreiging want de Commissaris van de Koningin in Limburg wist burgemeester Kleuters ervan te overtuigen dat zulks geen pas gaf. Russels hersenspinsels bleven echter niet beperkt tot vliegende geesten tijdens carnavalsoptochten.

    Op 5 juli 1890 verscheen voor het eerst het weekblad. "De Talmud-Jood", met steun uit bepaalde katholieke kring, gedrukt bij de heer Joseph Hubertus Louis Russel, geboren te Munstergeleen op 27 december 1859, waarmee Meerssen de enige negentiende-eeuwse Nederlandse plaats werd waar een volledig aan het antisemitisme gewijd blad bestond. Zelfs in de Tweede Kamer interpelleerde de Joodse afgevaardig­de Wert­helm en werd "De Talmud-Jood" met name genoemd. Of­schoon toenmalige minis­ter Van der Does de Wille­bols zich er niet veel van aantrok, waren de dagen van Russel toch geteld.

    Het kon ook niet uitblijven of de uitgever zou wegens hoon en laster, op 25 oktober 1890, om 9.30 uur verschijnen voor de rechter-commissa­ris op een dagvaarding van de Officier van Justitie bij de Arrondissements-rechtbank te Maastricht, want Dr. Perel, hoofd­redacteur van het "Onafhankelijk Israëlitisch Orgaan" had een klacht ingediend. Veel invloed heeft deze dagvaardiging niet gehad want de blaad­jes bleven verschijnen.

    Na deze kamervragen en dagvaarding verplaatste Russel zijn kantoor.
    Hij vond het te gevaarlijk om in Meerssen te blij­ven en vertrok naar Lanaken waar zijn vader, geboren te Sittard op 19 maart 1829, een bekend journalist en letterkundige, een eigen drukkerij had.
    Zijn vader was eerder rentmeester van Baron de Loe de Imstenraad, te Mheer. Hij schreef historische werkjes over de heerlijkheid Geleen en de stad Maastricht. Hij hield zich sedert 1862 bezig met journalistiek en stichtte op 1 augustus 1866 L'Ami du Limbourg, een blad dat driemaal per week in zijn eigen druk­kerij te Maastricht van de pers rolde. Ook stichtte hij in 1873 het blad “De Nieuws­bode”.
    Wegens een persmisdrijf moest hij Nederland verlaten en ves­tigde zich te Smeermaas-Lanaken te België.
    Russel en zijn vrouw vestigden hun kantoor aldaar.

    De Joden werden te kijk gezet op een manier die alle perken te buiten ging. Haat en ver­dachtmaking vierde triomf, vooral toen een toenmalige kape­laan, bijge­naamd de zwarte kapelaan, hier zijn mede­werking aan verleende. De blaadjes vonden gretig aftrek in het gehele land en daar­buiten. De prijs was 5 cent per stuk of fl. 2.80 per jaar. Dit was natuurlijk een doorn in het oog van de hier wonende joden, vooral toen de drukker/uitgever met grote zwarte letters op zijn huis op de Kuileneindestraat, de woor­den "De Talmud-Jood" liet aanbrengen.

    Later werd de drukkerij overgedaan aan de heer P. Ramakers en deze heeft de uitgaven van de Talmud-Jood nog een tijdje voorgezet.
    Hij veranderde de naam van het blaadje in "Waarheid en Rech­t" en rond 1894 wordt het "De Wacht", orgaan ter verdediging der christelijke belangen.

    Hoe reageerde de Meerssener bevolking op de Talmud-Jood? In het blaadje ver­scheen zeggen en schrijven één advertentie van een Meerssener slager en verdere advertenties kwamen van buiten de gemeente­grenzen, zodat men niet kan spreken van veel aanhang van de toenmalige middenstand.

    Ook deed Russel mee aan de gemeenteraadsverkiezingen, maar kreeg nauwelijks stemmen. ­Zijn aanhangers waren niet zeer talrijk.

    Wat schreef de Talmud-Jood?
    "Op de alhier gehouden verkiezing voor lid van de Gemeenteraad ter vervanging van de heer Cortenraedt, zijn 2 stemmen uitgebracht op dhr. Simon Koekoek de Rabbijn. Op een der stembriefjes kon men de volgende woorden lezen: "Simon Koekoek, de Rabbijn, mag ook wel lid van de gemeenteraad zijn."

    "Men zegt dat, ter gelegenheid van de aanstaande kermis alhier zal worden uitgevoerd door de fanfare van Schimmert, de thans beruchte "Koekoek-polka" dit ter genoegen van de liefhebbers van "Juden Musick"."

    "Men zegt dat het een verblijdend teken des tijde is, dat reeds twee katholieke slachters zich te Meerssen hebben gevestigd en dat voortaan: die menen met hun medebroeders, aan de nieuwe slachters flink hun steun zullen verlenen.”

    "Men zegt, “als het zo doorgaat en de katholieken ook eens hun krachten beproeven als veekooplui, paardenhandelaars enz. en de joden smid, schoen­maker, timmerman, kleermaker en landbou­wers zullen worden, het vette der aarde niet langer hun deel zal zijn.”

    "Gegroet, leepogige, stinkende natie. Ga de woestijnen van Zuid-Afrika verpesten, hoe eerder hoe liever. Vertrek met onze zegen!. En zoudt gij Louike en Isedoor, Schloume en de Wijn­gaardeniers en de Hertogdommen, de Soesmannen en de Chaims en de kleine Elie en Hari en Manevel en Jodeleen­tje en alle Smousen van Meerssen de reis niet mee willen maken?"

    "Men zegt, dat het een feit is, hoe de vleeskorven der Meersse­ner joden, die anders bijgelegenheid der kermis dagen langs de straten rondslenterden in Victorie, dit jaar zo opvallend weinig gezien zijn. Zou er dan geen "Bhest fleesch" meer te bezorgen zijn? Terwijl vroeger vanaf de hooggeplaatste, dikbuikige smousen tot de geiterige lange Jola's zonen, altijd zo goed geklan­deerd waren. Men zegt ook, dat er binnen enkele weken een grote openbare verkoop zal plaats hebben van vlees­korven, roestige vleeshaken, messen en wat diens meer zij."


    Gemengde Berichten
    Met veel ophef meldden de vorige week de couranten, dat men tussen Herstal en Verviers, Zaartje de Rothschild, die op reis was naar Duitschland, van een half millioen aan juwelen beroofd had.
    "Nu, stelen is altijd lelijk, maar als echte Talmoediste zal Zaartje Rothschild wel begrijpen, dat dit "poets weder poets" is. Eerst hebben de Rothschilds van anderen wettig genomen wat volgens hen wettig genomen van anderen en wat hen volgens den Talmoed toekwam, namelijk alles, en nu komt een ander en neemt een deel van die schatten terug.
    Diefstal is nooit te vergoe­lijken, maar waarom al die ophef?
    Dat half millioen is een druppel in die zee van "verd­hiend ghelt". En wat moet zoo'n jodenmadam ook met juwelen doen. 't Is en blijft toch maar een jodin. "

    "Aan de voet der groen heuv'len
    Aan de zoom van 't zilv'ren nat,
    Waar de beekjes minziek keuv'len
    Met de bloemen langs hun pad,
    Ligt mijn Meerssen stil daar neder
    Als juweel in 't groen gevat.

    Vrede ademt, kalme ruste
    Stille welvaart heel dit oord,
    Waar natuur U was een luste
    Al Uw schoon te brengen voort;
    Waar de mensheid ongestoord
    Bij de weldaad van de Scheppers
    Juicht en 't Lied der Schepping hoort.
    Maar van dichtbij of van verre
    Onder ging de zegesterre
    Bloedrood rees de jodenmacht,
    Sluipend naar de aard der bozen
    d'Eerste jood daar binnen sloop
    Laatste troost der troostelozen
    Als de jood er binnenkroop,
    Ging van an're zijde, Marsna,
    d'Engel heen van vrede en hoop !

    Ach, de tijden togen henen,
    Jaren, dagen togen voort,
    Immer, immer meer verschenen
    Schurken in 't aanlok'lijk oord.
    En het werk der duisternisse,
    't Werk dat mens en daglicht schuwt,
    't Ging vol-enden wreed gewisse
    d'Eeuw waar heil aan welvaart huwt.

    Worst'len mocht ge, fierre schone,
    Worst'len Marsna, met de jood,
    Heldenmoed verwacht geen krone !
    Waar verraad de handschoen bood !

    Wek Uw ridders uit de droom,
    Laf, die thans de strijd nog schrome
    Laf, wie niet ter kampplaats koom.

    Aangegespt de heldendegen,
    Angegord het heilig zwaard.
    Drijf de jood onder Gods Zegen
    Weg van hier, ter hellevaart.

    Fier nog mocht ge't hoofd thans beuren,
    Pronken nog met weidser pracht,
    Roemen nog op kleur en geuren,
    Door natuur Uw mild bedacht,
    Treurig toch doolt nog heden
    Menig kind om in de nacht,
    Door de vuige jood vertreden,
    Om zijns vaders woonst gebracht.

    Fier nog moogt ge uitwendig schijnen,
    Aan Uw hart toch knaagt het voort,
    't Leed dat heel Euroop deed kwijnen,
    Marsna, 't gift, dat langzaam moordt.

    Op, waak op, o Marsna schone."


    Na deze en nog veel meer van deze ergerlijke bloemlezingen uit de "Talmud-Jood", vraagt men zich af hoe de relatie was tussen de joodse en katholieke bewo­ners van Meerssen.

    Was er meer antisemitisme in Meerssen tussen 1800-1900 dan in andere Zuid-Limburgse gemeenten? In de joodse archieven van Meerssen wordt maar een keer over "baldadige jeugd" gesproken. Zij pleegden die baldadigheden op het joodse kerkhof en zelfs de godsdienstige plechtpleging bij het ter aarde bestellen van een overledene hadden zij bemoeilijkt. Was dit baldadigheid of antisemitisme? In ieder geval geen respect voor een overledene en zeker gezien hun katholieke achtergrond verwerpelijk.
    Was er meer antisemitisme dan in andere Zuid-Limburgse gemeenten? Zeker is het dat rond 1890-1900 verschil­lende Joden door toedoen van de anti-joodse uitingen naar Valkenburg vertrokken, omdat men daar toch liberaler tegenover hen stond. Wel is zeker dat de joden te Meerssen met een scheef oog werden bekeken. Een voorbeeld: Zag men een jood dan werd er "Koekoek" geroepen. Koekoek was Rabbi voor 1900 te Meerssen. Dat riep dan weer een reactie van joodse zijde op, zoals naar het kruisbeeld te wijzen dat tegen de Basiliek is geplaatst, onder het uiten van de woorden "Daar hangt Koekoek".

    De Limburgse joden pasten zich meestal aan om incidenten te voorkomen. Een kras staaltje hiervan is de tekst, overigens getuigend van weinig gevoel voor poëzie en een pover ontwik­keld joods zelfbewustzijn, die tijdens een pauskro­ning op een joodse manufacturenzaak verscheen: "Al ben ik maar een smous, toch vier ik mee het feest van de nieuwe paus."

    Waren zij na 1900 volledig in de Meerssener samenleving opgenomen? Men ziet hen in katholieke vereni­gingen, onder andere jeugdverenigingen. Of was dit maar uiterlijke schijn?

    Gemeentelijke steun was pover of werd pas na herhaalde verzoe­ken verkregen. De muur en hekwerk om het joodse kerkhof kostte 300 gulden. Hiervoor kreeg men 75 gulden subsidie (1867). Voor een bijdrage in de kosten van een nieuwe synagoge was men ook al niet te vinden.

    Blijft toch de vraag of de anti-joodse gevoelens uit een bepaalde hoek kwamen of dat de Meerssenaar anti-joods was. In ieder geval niet tot 1800. Uit de historie is gebleken dat - wanneer zij moeilijkheden hadden in Maastricht of Duitsland rond 1800 - velen naar Meerssen kwamen. Indien de Meerssenaren van nature anti-joods waren, waarom kwamen dan veel joden naar Meerssen? Toch niet omdat hier al joden woonden? Maastricht was economisch aantrekkelijker. Er waren verschillende joodse slagers alhier, zij konden beslist niet bestaan van alleen de joodse inwoners van Meerssen. Van economische jaloezie kon geen sprake zijn, gezien hun grote armoede tot 1900.

    Of was de anti-joodse houding rond 1890-1900 alleen bepalend door de houding van de rooms katholieke kerk ter plekke, door de kapelaan en aanhang? Van wie had deze kapelaan steun? Dit in een tijd dat een kapelaan niets deed zonder dat zijn meer­dere hiervoor toestemming had gegeven. Of waren anti-joodse gevoelens in Meerssen persoonsgebon­den? Zoals ik eens na 1945 een opmerking hoorde van iemand die zijn oorlogs-trauma probeerde te verwerken door naar joodse medeburgers te infor-meren in het gemeentehuis en toen de opmerking kreeg: "Zijn we ze eindelijk kwijt, begin jij er nu weer over."

    Maar ook het verhaal van een betrokkene, die als kind een jood had uitgeschol­den. Bij toeval hoorde zijn vader het, die hem een zodanig pak slaag gaf, dat hij dagen niet heeft kunnen zitten.

    Mevr. Verhees-van West, van geboorte joodse en katholiek geworden in 1941, vertelde mij dat zij nooit wegens haar afkomst gedis­crimineerd is door de bevolking van Meerssen. Zelfs niet tijdens de oorlog door de Meersse­ner N.S.B. Eens werd ze door een politieagent uit Ulestraten achtervolgd tot in de Basiliek, om te kijken of zij haar jodenster droeg.


    Maar nu weer terug bij het verhaal van de synagoge.
    De vaste lasten en onderhoudskosten van de synagoge waren voor deze gemeenschap zo hoog geworden dat zij zonder hulp van gemeente, provincie en rijk in het geheel niet meer had kunnen bestaan.
    En dan waren er nog de bouwproblemen aan de synagoge zelf.

    De joodse gemeente wendde zich als volgt tot de heer Bloemendal op 4 september 1855 en op 7 juli 1855 (klopt dus niet MCW) tot Gedeputeerde Staten van het Hertogdom Limburg:
    “Wij zijn in de droevige noodzakelijkheid u ter kennis te moeten brengen dat het vocht zich op verscheidene plaatsen in onze synagoge ingedrongen heeft, zodanig dat reeds een aan­zienlijk gedeelte van de planken vloer bedorven en rot is, terwijl het altaar ook daarvan niet is vrij gebleven, zodat wij reeds grove reparatie, aan een en ander te doen hebben, welke vochtigheid dagelijks alzo meer en meer toe neemt, en weten wij niet waaraan dit is toe te schrijven, met angst zien wij de toekomst aan, daar wij vrezen dat binnen kort, de gehele kerk met vocht zal door trokken zijn, en weten wij ook geen middel van daarin te voorzien, ja zo eerstdaags de nodige voorzorgen niet genomen worden, zijn wij te verwachten dat het altaar met banken, vloer enz. binnen korten tijd geheel bedor­ven en rot zal zijn, derhalve nemen wij bij deze vrijheid u te verzoeken om een middel aan de hand te willen doen, hoe wij ons te gedragen hebben, ten kunnen beletten, terwijl wij tevens moeten verkla­ren en zo als het u bekend is, wij geen middel meer bezitten om te kunnen voorzien in de kosten welke deze herstellen kunnen nodig wezen”.

    Het kerkbestuur schrijft op 6 februari 1856 een brief gericht aan de Gedeputeer­de Staten van Limburg.
    “Naar aanleiding van uw brief van 12 december 1855, no 5853, K. hebben wij kennis genomen van de inhoud van het door de heer Schneit­ter, ing. van de Water­staat uitgebrachte, en aan ons toe gezonden rapport van 29 november 1855, no 693, aanwijzende de oorzaak waarvan moet worden toegeschreven het doordringen van vocht in de voor enige jaren in onze gemeente nieuw gebouwde Synagoge, benevens de middelen die nodig worden geacht om dat kwaad te verhelpen. Na overweging heeft het kerkbestuur zich met de voorgestelde werken kunnen verenigen en tot de uitvoering daarvan besloten; - dientengevolge hebben wij de eer hierne­vens aan u Edel Groot Achtbare te laten toekomen een begroting van kosten van de uit te voeren werken. Wat aangaat de opgave der middelen waarvoor onze gemeente kan beschikken ter be­strijding van die kosten moeten wij bescheidelijk doen opmer­ken, dat er bij de gemeente hoegenaamd geen middelen voorhan­den zijn, voor daarin te voorzien, zoals zulks in onze brief van 1 juli 1855 aan u is medegedeeld; ons aan gemeld rekest referende achten wij het overbodig hier nogmaals de daarin opgegeven beweegredenen op te sommen. Derhalve nemen wij de eerbiedige vrijheid u te verzoeken, gemeld rekest in gunstige overweging te nemen en ons in deze droevige toestand goedgun­stig willen tegemoet komen”.

    Op 19 maart 1856 gaf de gemeente Meerssen een bijdrage in deze kosten van fl. 25,-. De Gedepu­teerde Staten van het Hertogdom Limburg gaven een subsidie van fl. 140,- De werke­lijke kosten voor de vochtbestrijding bedroe­gen fl. 375,-

    De aanvang van de herstellingswerken begon augustus 1856 en duurde tot midden september 1856. Zij werden uitgevoerd door Hubert Dolders, aannemer te Meers­sen en stonden onder toezicht van de heer Jonkergouw, opzichter van de Water­staat.

    Niet alleen de kosten van de synagoge waren een probleem, er waren nog de kosten voor een eigen onderwijzer, die moest worden aangesteld aan de joodse school.

    In een brief van 3 mei 1855 aan de heer Mulder, Inspecteur der Gods Dienstige Scholen te Amsterdam, zegt het kerkbestuur dat in de gemeente Meerssen geen school bestaat waar de joodse jeugd het godsdienstig onderwijs geniet, hoewel het bestaan van zo'n school noodzake­lijk is en hier reeds lang gevestigd had moeten zijn, vooral voor arme kinderen, maar dat door geldgebrek niet hierin kon worden voorzien. Bij de bouw van de nieuwe synagoge is rekening gehouden met een school­lokaal en een onderwijzerswoning, met de bouw is reeds begonnen. Toch zullen de werkzaamheden nog niet zijn vol­tooid en ook niet voltooid kunnen worden zonder schulden te maken, als de joodse gemeente niet enige bijstand van de regering zal genieten. De oorzaak was dat de leden sedert 1843 al wat zij konden geofferd hebben om in het bezit te komen van hun eigen synagoge, wat door zuinigheid en spaarzaam­heid ook is mogen gelukken. En zij hopen door Gods hulp op enige lande­lijke tegemoetkoming omdat de geldelijke middelen uitgeput zijn om de kosten van een onder­wijzer te kunnen dragen. Derhalve moeten wij alle hoop opgeven voor een gods­dienstige school, als wij van de regering geen ondersteuning zouden krijgen. Dit is het enige middel om een godsdienstige school in onze gemeente te vestigen en wij verzoeken u in het belang van de jeugd om bij de regering te willen aanbevelen om een subsidie.
    Blijkbaar had de brief indruk gemaakt, want in juni 1855 plaatste de joodse gemeente een annonce in het Israelitisch Weekblad te Amsterdam welke luidde:
    "Bij de Israëlitische gemeente Meerssen nabij Maastricht verlangt men om zo spoedig mogelijk in de functie te treden, een ongehuwd godsdienstig en maatschappelijk onderwijzer, die tevens als voorlezer en beesten-snijder moet fungeren; salaris 100 a 125 gulden jaarlijks incl. kost en inwoning. Hierop reflecterende gelieve zich voorzien van goede getuigschriften voor 25 juli aanstaande franco te wenden aan de ondertekende kerkmeesters van voor­noemde gemeente."

    Het kerkbestuur stuurde 1 juli 1855 een brief aan Provinciale Staten van het Hertogdom van Limburg, dat indien zij geen subsidie zouden krijgen de bouw van het schoollokaal moesten staken of zij zouden schulden moeten maken waardoor de last op de joodse gemeente nog hoger zou stijgen, wat op den duur niet vol te houden was en zonder twijfel de ondergang van de joodse gemeente en kerk zou betekenen.

    Op de vragen van 15 augustus 1855 van de heer Mulder, inspecteur der Godsdienstige Israëlische scholen te Amsterdam, gaf het kerkbe­stuur het volgende antwoor­d:
    1. Welke zijn de behoeften om een goede school in uw gemeente te hebben ?
    Antwoord: Dit punt is voor onszelver moeilijk te beantwoorden, immers toch voornamelijk:
    a. een goede onderwijzer.
    b. een goed schoollokaal.
    c. de middelen om in de kosten te voorzien.
    2. Welke zijn de middelen die de gemeente daartoe bezit?
    Antwoord: De gemeente bezit daartoe geen middelen dan het voormelde schoollokaal, hetwelk thans voltrokken en bereikbaar is, doch waarvan de kosten nog niet geheel voldaan zijn en ook niet kunnen worden voldaan zonder schulden te maken.
    3. Hoe groot is het aantal schoolplichtige kinderen?
    Antwoord: Tussen de 15 en 20 kinderen die op het jaar niet meer dan 80 gulden kunnen opbrengen.
    4. Hoeveel behoeftigen zijn daaronder?
    Antwoord: Een vierde gedeelte.
    5. Zijn er ook behalve de leden van het kerkbestuur ander personen in de gemeente, aan wie men het beheer van de school zou kunnen opdragen?
    Antwoord: Indien zulks volstrekt noodzakelijk is zouden er nog enige personen kunnen gevonden worden aan wie men deze func­tie zou kunnen opdragen, toch weet men niet of zij dit zouden aannemen.

    Omdat de synagoge hoger lag dan het pleintje ervoor, werd op 25 juli 1860 besloten dat een steunmuur­tje zou worden getrokken, om te voorkomen dat de grond om de synagoge zou wegzakken. De uitvoe­ring hiervan zou nog in 1860 plaats vinden.

    Men krijgt de gevraagde hulp en op 7 november 1855 wordt de heer Mulder medegedeeld dat te Meerssen is benoemd als onderwijzer, met ingang van 1 november 1855, de heer Schepp, het laatst onderwij­zer te Maastricht en dat men zich ook voor een subsidie voor onderwijs van arme kinderen heeft gewend tot de Minister voor de Zaken van Hervormde Eeredienst.
    In de afspraken met de heet Schepp werden de volgende voorwaarden bedongen:
    "De achterste bovenkamer en het ( ...... ) plaatsje van het huis worden voor de gemeente voorbehouden. De gemeenteleden zullen voor dat men naar de kerk gaat, in het huis mogen vertoeven.
    Eindelijk zal hij zorgdragen, dat het licht in de kerk op zijn tijd aangestoken en gedoofd wordt, de kerk wekelijks uitgeveegd en om de 4
    weken geschrobd wordt, het koperwerk in het jaar tweemaal geschuurd en de zitbanken en ander houtwerk zuiver gehouden.
    Bij het niet nakomen van de bedongen voorwaarden zal de heer Schepp voor ieder overtreding ten voordeel van de gemeente moeten betalen een som van een gulden.
    Aldus en dubbel opge­maakt en door partijen ondertekend te Meerssen de 7 oktober 1855."

    Op 4 december 1855 had de joodse school 25 leerlingen waarvan de helft tot de behoeftigen behoorden.
    Waaruit bestond het onderwijs?
    a. In het godsdienstige: lezen, schrijven, vertalen van kleine en dagelijkse gebeden van het gebedenboek en Peutateuch, Hebreeuwse taalkunde en geschiedenis, geloofsleer, alsmede Joods-Duits lezen.
    b. In het Maatschappelijke: Lezen, schrijven, rekenen, Nederduitse spraakkunst, vader­landse geschiedenis, aardrijkskunde.
    c. Tijd: Het maatschappelijk onderwijs wordt 5 x per week telkens gedurende 2½ uur onderwezen. Aan het Godsdienstig onderwijs worden 3 uur besteed, uitge­zonderd zaterdag en Israëlitische feestdagen.


    In 1861 werd begonnen met de aanpassing van een nieuw regle­ment van bestuur van de joodse gemeente naar aanleiding van de circulaire van het Ministerie van Zaken der Hervormde Eere­dienst.

    Op 14 februari 1862 werd dit reglement goedgekeurd. De gehele tekst volgt hieronder en, ookal is deze wat lang, hierdoor krijgt men een goed beeld van het bestuurlijk gedeelte van de joodse gemeente midden 1800 te Meerssen.

    Woorden geplaatst tussen ( .... ) zijn geconcludeerd omdat het reglement op die plaatsen beschadigd is.

    art. 1.
    De Israëlitische gemeente te Meerssen bestaat uit alle binnen de burgerlijke gemeente en haren kerkgang net der ( ?) voor geves­tigde Israëlieten. Zij voert den naam van Nederlandsche Israëlitische Gemeente Meerssen.
    art. 2.
    Van de leden voor hen, die van buiten 's lands, zich alhier met woon vestigen of die, binnen Rijk gevestigd, hunne woon­plaats naar deze gemeente over brengen, blijft de termijn van drie maanden naar die ver(huizing) open om schriftelijk (in te) treden om lid der gemeente willen worden.
    art. 3.
    Wie verzuimd heeft van (de) toetreding overeenkomstig(ig) art. 2 te doen blijken, wordt als lid der Gemeente beschouwd, noch toegelaten tot het genot harer instelling. Bij verschoonende omstandigheden kan de Kerkeraad den termijn verlengen of van de gevolgen van het verzuim ontheffing verlenen met (of) zonder te stellen voorwaarden.
    art. 4.
    De aangifte van geboorte wordt voor zoveel het lidmaatschap der gemeente betreft, door den vader, dien(st) gema(g)tigde, den voogd (of) de voogdes, en van huwelijken door den man gedaan het zij het huwelijk binnen ( ..... ) buiten de gemeente is gesloten en ingezegend. De inschrijvingen geschieden koste­loos. Uittrek­sels uit de register der gemeente kan ieder ten zijne kosten bekomen.
    art. 5.
    Aangifte voor en inschrijving in het huwelijks register heeft het lidmaatschap der gehuwde vrouw en schriftelijk toetreding van het hoofd eens gezin dat der vrouw en kinderen ten gevol­ge.­ De in het geboortenregister ingeschrevene is als zodanig lid der Gemeente.
    art.6.
    Hij, die wenscht lid te worden doet daartoe schriftelijk aanvraag aan den Kerkeraad, en, zijn de vereischten, behalve den inkoop bepaald van vijf tot vijftig gulden.
    a. meerderjarigheid volgens de landwet, het huwelijk volgens
    de landen Mozaische wet voltrokken.
    art.7.
    Niemand kan als lid der Gemeente worden aangenomen, die ergens eene regterlijke criminele veroordeling heeft ondergaan, of in de Maatschappij als eerloos is verklaard, evenmin als hij aan wiens de uitoefening der Burgelijke regten bij geregtelijke wijze zijn ontzegd, gedurende den tijd bij het vonnis bepaald.
    art. 8.
    De inschrijving heeft ten gevolge, dat de regten en verplig­tin­gen aan het lidmaatschap verbonden geacht, worden te zijn ingegaan, met den aanvang van het kwartaal waarin de in­schrij­ving plaats had, behoudens de nadere bepalingen van dit Regle­ment.
    art. 9.
    Alle leden zijn bevoegd tot het genot van al de regten die hun lidmaatschap mede brengt, mits zich onderwerpen, die aan al de verpligtingen bij de veror­deningen voor de kerkelijke gemeente vastgesteld of vast te stellen.
    art. 10.
    Vrouwen behouden de voorregten van het lidmaatschap ook na de ontbinding des huwelijks tot dat zij hertrouwd zijn.
    art. 11.
    Het lidmaatschap houdt regtens op bij:
    a.vertrek met der woon naar elders, met of zonder voorafgegane
    op(zeggin) ( ...... )
    art. 12.
    De opzegging met of zonder verandering van woonplaats gelijk ook de verval­len (van de) ring ontheft niet van betaling der Kerkelijke (bijdragen) over het dienstjaar en woonsverandering niet ( ..... ) de betaling over het totaal waarin zij plaats ( ..... )
    art. 13.
    Het verlies van het lidmaatschap door overgang tot een ander kerkgenoot­schap is van geen invloed op de regten van de andere leden, van het gezin die tot de Israelietische Godsdienst blijven bestaan.
    art. 14.
    Geen lid kan zijn lidmaatschap aan den Kerkeraad op(zeggen) anders dan bij eene ger( ..... )lijke betekeekende verki (...) (gerechtelijke betekenende verklaring MCW)
    art. 15.
    Het lidmaatschap kan (van) de zijde des Kerkeraad worden opgezegd bij:
    a. Daad waartegen bij eene Nederlandsche wetgeving eene ontee­ren straf is bedreigd.
    b. Herhaalde opzettelijke en openbare schending van het Reglement.
    c. Herhaalde opwekking, aanmoediging of bevordering van verzet tegen de kerkelijke verordeningen.
    d. Weigering van betaling der verschuldigde kerkelijke belastingen ten behoeve der Eredienst en der administratie.
    art. 16.
    Van die vervallen verklaring geeft de Kerkeraad met een reden omkleed besluit binnen acht dagen kennis aan betrokken lid.
    art. 17.
    De eigenaar een zit(plaats) bij art. 11 ophoud lid te zijn stemt ipso facto toe dat, en matigt den Kerkeraad om de gezeg­de zitplaats binnen de Synagoge aan de meest biedende te verkopen en toe te wijzen. De opbrengst van dit verkoop wordt na aftrek van de door hem eventuele aan de kas der gemeente verschul­digde gelden aan hem, zijne erfgenamen of regthebbende tegen kwitantie uitgekeerd.
    art. 18.
    Het bestuur der kerkelijke gemeente is opgedragen ( ..... ) naam voert van Kerkeraad der Nederlandsche Israëlietische Gemeente Meerssen.
    art. 19.
    De Kerkeraad is samengesteld uit vijf leden. Zijne leden worden door de bij art.1 en 2 van het kiesreglement, bedoelde kiezers voor de tijd van drie jaar gekozen door ene regt­stree­ksche verkiezing te zegge, hij die bij de eerste stemming de meeste stemmen verkregen heeft, is voorzitter, den opvol­gende is thesaurier en de drie overige zijn leden.
    art. 20.
    De gewone tijd van verkiezingen om te doen voorzien in de vacature die op den eerstvolgende 1ste Januari ontstaan is in de maand, September. De verkiezing om te doen voorzien in de plaatsen, die door ontslag, overlijden of ene andere rede openvallen, geschiede binnen drie maanden na het ontstaan der vacature op een door den Kerkeraad te bepalen dag.
    art. 21.
    Bij ene eerste stemming beslist de volstrekte de meerderheid der geldige stemmen, bij herstemming de betrekkelijke meerder­heid, bij stemmen de ouderdom in jaren en in geval van gelij­ken ouderdom het lot.
    art. 22.
    In herstemming worden gebracht zij, die de meeste stemmen hebben verkre­gen, en wel voor iedere vacature. Hebben voor deze meer dan twee de meeste stemmen op zich verenigd, dan worden zij mede op de herstemmingslijst geplaatst, welke lijst te gelijk met den brief van de oproeping aan de kiezers wordt rondgezonden. De herstemming heeft acht dagen na de dagteke­ning van het procesverbaal der stem opneming plaats.
    art. 23.
    De Kerkeraad onderzoekt het aanzijn de vereischten tot ver­kiesbaarheid alvorens tot de toelating over te gaan. Hij geeft den gekozene van de niet toelating met vermelding van redenen terstond schriftelijk kennis, en beslist de geschillen, die over het proces verbaal van den uitslag der stemming ontstaan.
    art. 24.
    Van den gekozene kan door den Kerkeraad, alvorens tot de toelating over te gaan, worden gevorderd overlegging van:
    a. een uittreksel uit het geboorte Register of bij gemis daar­van een acte van bekendheid, waaruit den ouderdom blijkt en
    b. een bewijs door den ambtenaar van het bevolkingsregister der burgerlijke gemeente ondertekend, ten blijke van drie-jarige inwoning.
    art. 25.
    De benoemde, niet vallende in een der termen van artikel ( .. ), is tot de aanvaar­ding der lidmaatschap verplicht. Van de niet aanneming der benoeming geeft hij de Kerkeraad binnen vier ( .. ) na de toezending zijner benoeming schriftelijk kennis, opgave der redenen van ver(...)ning die hij bij niet aanneming ver­meenen mogt te hebben. De Kerkeraad beoordeeld de redenen van verscho­ning en geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de belang­hebbende. Die termijn wordt door de Kerkeraad naar mate van afstand verlengd, ingeval gekozenene afwezig of uitr( ..) is de verlenging mag termijn van een maand overschrijden.
    art. 26.
    Weigert de benoemde de aanvaarding van het lidmaatschap of zijn de aang­evoerde reden van verschoning niet (aanne)melijk, of bedankt hij voor het lidmaatschap na de aan(...)ding, dan vervalt hij in uitkoop van tien gulden ten bate van de kas der Gemeente.

    Op 3 februari 1862 richtte het kerk- en schoolbestuur zich tot de Minister voor Zaken der Hervormde Eeredienst met het verzoek een verhoging te willen verlenen van 1000 gulden op de staats­begroting voor 1862 omdat de nieuwe wet op lager onderwijs voor de joodse school veel nadeel bevat. Omdat verscheidene kinderen tot de behoeftige klasse behoorden en niet in staat waren het onder­wijs te betalen en dat de eigen middelen niet toereikend waren om in de kosten van de onderwijzer te voor­zien. De uitga­ven van het onderwijs moesten in hoofdzaak gedekt worden door de schoolgelden van betalende kinde­ren.

    Het kerkbestuur besloot 22 juni 1862 dat zij een geboorteregister, een rooster van aftredende leden en een reglement van orde voor vergaderingen zouden aanleggen.

    Er werd besloten op 24 augustus 1862 tot het repareren van meubelement van de kerk en het planten van een haag op de grens van P. Konings en de Israëlitische Gemeente, en ook om "den mesthof op het voorplein der Kerk" enige boompjes te plaatsen.

    In de vergadering van de kerkeraad de dato 31.8.1862 werd bekend gemaakt dat er een verzoek was van Sasserath Leijser, wonende te Borgharen, om als lid te worden opgenomen van de Israelitische Gemeente van Meerssen. Er werd besloten dat de genoemde Sasserath een inkoop moest betalen van 12 gulden en 1 gulden per maand, dit werd hem schriftelijk medegedeeld.

    Op 29 maart 1863 werd de heer David Joseph Herschel wonende te Lekkerkerk, aangesteld tot voorzanger, godsdienstonderwijzer en beestensnijder. Deze benoeming ging om een of andere reden niet door gezien op 16 augustus 1863 in dezelfde functie de heer Izaak Lazarus Cohen, onderwijzer te Schiedam,werd benoemd.

    Tot leden van de schoolcommissie werden 12 juni 1864 benoemd Michiel Wijng­aard en August Burger.

    Op 4 november 1866 werd een reglement goedgekeurd tot oprichting van een vereni­ging onder de naam "Talmoed Torah".

    Abraham Caan, wonende te Beek, verzocht om bij het kerkelijk meerder­jarig worden van zijn zoon, op 29 april 1865 door hem de tekst in de Heilige Wetsrol te laten lezen, alsmede aan hem de daaraan verbonden Ceremonie in de Synagoge alhier te laten toekomen. Dit werd door de kerkeraad goedgekeurd met de opmerking dat de heer Caan de som van 25 gulden zou betalen ten voordeele van de gemeentekas.

    Een nieuwe wetsrol, aangekocht uit de gemeente kas, is ingewijd op 17 en 18 mei 1867. Voorganger J.L. Cohen kreeg op­dracht van de kerkeraad om deze plechtigheid uit te voeren.

    De heren D. Caen, L. Hertog en J. Hertog werden door de kerkeraad op 24 april 1870 ieder voor 25 cent beboet, de Alex Hertog met 50 cent om de voorvallen welke plaatsvonden op 16 en 23 april (wat er gebeurd is wordt niet ver­meld, wel dat zij in overtre­ding waren tegen de be­staande reglementen binnen de synagoge). De betaling moest geschieden binnen veertien dagen.

    De heer August Burger, overleden te Meerssen, schonk de Israëlitische Gemeente Meerssen per testament de datum 26 januari 1871, een bedrag van fl. 325 onder voorwaarde dat de kerkeraad dit bedrag zou beleggen in een hypotheek. De kerkeraad besloot de rente van dit bedrag te doen bijdragen in de kosten van het salaris van de gods­dienstle­raar.

    Op 23 augustus 1871 werd ingevolge art. 6 van het reglement, de heer S. Wijngaard benoemd tot directeur en de heer S. Soesman tot penningmeester van het zangkoor.

    Op 13 juni 1878 werd het 25-jarig bestaan van de synagoge herdacht.
    De burgemees­ter en de leden van de gemeenteraad werden hierbij uitge­nodigd.

    Door een schenking van de heer Mozes Caen op 10 januari 1879 werd er een toestel geplaatst dat een eeuwig licht zou laten branden. Bovendien zou de gemeente jaarlijks fl. 10 schenken ter herinnering aan de familie van David Caen. De kerke­raad besloot de schenking te aanvaarden en het altijd­durend licht te doen branden ter nagedachtenis van alle ge­storven leden van de gemeente en verplichtte zich de kosten hiervan bij even-tueel onderhoud te dragen.

    Dat opzegging van het lidmaatschap van de gemeente niet zonder ­meer mogelijk was, blijkt uit het volgende.
    Op 24 april 1881 deelt Jacob Hartogs aan de kerkeraad mede dat hij vanaf die dag geen lid meer wil zijn van de Israëlitische gemeente en afziet van alle kerkrechten. De kerkeraad deelt hem daarop mede dat het opgeven van het lidmaatschap alleen kan worden uitgevoerd wanneer hij een gerechtelijk betekende verklaring kan overleggen. In de vergadering van de kerkeraad van 20 augustus 1881 wordt dit gerechtelijk stuk behandeld en voor kennisgeving aangeno­men.

    Op de kerkeraadvergadering van 29 november 1884 wordt medegedeeld dat de Opperrabbijn het kerkelijk bad heeft afgekeurd. Als motief werd gemeld dat dit bad in strijd is met de godsdienstige voor­schriften. Dit werd in de synagoge bekend gemaakt.

    De heer Bernard Wijnhausen, lid van de Israëlitische Gemeente Meerssen en woonachtig te Valkenburg, schenkt de gemeente in juli 1892 een bedrag van fl. 60,- onder de voorwaarden dat na zijn overlijden de gebruikelijke ceremonie zal worden uitgevoerd en gedurende het rouwjaar en vervolgens jaarlijks op de sterfdag het kadisch gebed zal worden uitgesproken door een daartoe aan te wijzen persoon. Met deze voorwaarden gaat het bestuur akkoord.

    Op 10 september 1899 besluit de kerkeraad om verder te procederen tegen de M. Caen te Hulsberg, de familie D. Caen te Hulsberg en de weduwe J. Caen-Stiel te Maas­tricht om het eigendomsrecht van het Israëlitisch Kerkhof te Haasdal (gem. Schimmert), welke volgens hen
    in hun eigen­dom is. Dat dit proces veel geld kost, blijkt uit het gegeven dat de kerkeraad op 17 mei 1903 besluit om van het spaarbankboekje een bedrag op te nemen van fl. 607 en op het (onderwijzers-)huis een schuld­bekentenis te nemen van fl. 450. Een bedrag ter waarde van fl. 1.085,75 werd verzonden aan de heer (Mr. ?) van Emdem.

    Op 4 juli 1903 vierde de joodse gemeenschap het 50-jarig bestaan van de synagoge. De leden van "Bikdei Kodesz" gebruik­ten het geld van de opbrengst van de verkoop van verschillende kerksieraden. In de vergadering van de kerkeraad op 23 mei 1909 werd besloten dat alle leden, die drie maanden achter waren met hun kerkelijke bijdrage, in het vervolg van alle rechten verstoken worden zonder vooraf gedane waarschuwing. Over de ceremoniële orde werd besloten, dat de kerk met onmiddellijke ingang gesloten zou worden zodra de heilige wetsrollen uit de biema genomen waren en deze gesloten zou blijven tot na Maphtir. Eenieder werd verplicht bij het verlaten van zijn/haar plaats de kerk direct te verlaten, waaraan streng de hand gehou­den zou worden. Iedere overtreding zou worden gestraft, de eerste maal met tien cent boete, de tweede maal met vijf en twintig cent boete, de derde maal met een gulden. Bij herhaalde overtredingen zou gerechtelijk gestraft worden zonder vooraf gedane waarschuwing.

    De weduwe van Isaac Hertog bood op 28 november1909 het kerkbestuur aan op haar kosten een lichtinstallatie aan te laten leggen in de synago­ge, ter nagedachtenis aan haar overleden man. Op 9 april 1910 verzocht Max J. Hertog het kerkbestuur een graf te willen reserve­ren naast het graf van zijn vader, hetwelk bestemd was voor zijn moeder, de weduwe Sara Hertog-Richard.

    Het kerkbestuur besloot op 20 september 1910 in beginsel tot een tegemoetkoming in de kosten van fl. 60,-, voor het aanleggen van elektriciteit in de synagoge, welke een geschenk was van mevrouw weduwe Isaac Hertog.

    Het beboeten bleek tot 1910 zelfs voor misdragingen in de synagoge geheel normaal . Zo werd de godsdienstig onderwij­zer (Abraham Bronhorst, die februari 1911 uit Meerssen vertrok) beboet met een gulden, ter waarschuwing omdat hij tweemaal op zaterdag te laat in de synagoge was gekomen. Ook kerkgangers werden beboet zoals in het volgende valt te lezen:
    "Aangezien zaterdagmorgen (juni 1910) door de heer Max Moses Hertog, de dienst werd verstoord onder het thora lezen, hetgeen ten strengste verboden is, heeft het kerkbestuur besloten, aange­zien genoemde Max Mozes Hertog dit reeds herhaalde malen gedaan heeft, hem te beboeten met een bedrag van een gulden, met dien verstande: mocht het nog eens gebeuren, hij bij de rechter zal worden aangeklaagd".
    Maar er waren nog meer "zondaren". Ook Alex Levy, die onder het thoralezen de synagoge verlaten had en weer binnengekomen was. Dit was reeds her­haalde malen ge­beurd, zodat het kerkbestuur het nodig oordeelde hem te waarschuwen, temeer daar het kerkbestuur meende dat er van opzet sprake was. Hij werd beboet met een bedrag van vijftig cent.
    De volgende was Isidoor Wijngaard, die in de synagoge geschreeuwd had, wat hem een boete van tien cent kostte.


    Op 20 juni 1912 bood mevrouw Sara Hertog-Richard een bazuin aan en op 18 augustus1912 werd door Mathilda Wijngaard een dekkleedje geschonken. De vrouwenvereniging Ngateres Noschim bood op 4 juli 1913 het kerk­bestuur een thoramanteltje aan.

    Het kerkbestuur kreeg op 10 januari 1915 een legaat van honderd gulden van de erfgena­men van Jacob Caan te Maastricht.
    OP 1 februari 1916 werd als onderwijzer aangesteld de heer Godfried, voor een salaris van fl. 85,-. Het schoolgeld werd vastgesteld op een bedrag van 50 cent per maand per leerling.
    Tegen dit bedrag van 50 cent protesteerde de heer Henri Wijn­gaard, doch dit protest werd afgewezen.


    Voorgangers te Meerssen
    Voorgangers werden te Meerssen in principe voor één of twee jaren benoemd. Vele vertrokken weer naar elders, waarschijnlijk werd daar beter betaald. Dit was ook te begrijpen. De Israëlitische Gemeente Meers­sen kon niet veel betalen, daarvoor was de gemeen­schap te klein.
    Laten wij eens kijken wie er zoal in Meerssen zijn geweest.

    De heer Salomon Mozes Schepp werd op 7 november 1855 aangenomen als onderwijzer, voorlezer en beesten­snijder. Hij was voorheen onder­wijzer te Maastricht, welke eervol ontslag had gevraagd en gekre­gen wegens problemen aldaar. De heer Schepp, die oorspron­kelijk uit Utrecht, kwam werd in Maastricht in 1854 benoemd. Hem werd onder andere wanorde op school verweten en in het zelfde huis een meisje te hebben, waarmee hij een relatie was aangegaan. Hij onkende dit niet.
    Of dit de werkelijke reden is geweest kan betwijfeld worden, gezien zijn benoeming te Meerssen. Hij werd geselecteerd uit verschillende kandidaten. De afstand tot Maastricht is zo gering dat men in Meerssen beslist van deze problemen heeft afgeweten. Hij huwde nog in 1855. Is hij aangenomen met de belofte dat hij alsnog zou trouwen ? Of was men in Meerssen iets liberaler dan in Maastricht ? De overeenkomst tussen de kerkeraad en de heer Schepp is bewaard gebleven en luidde:

    "De heer Schepp, wordt bij deze, bij bovengemelde gemeente aangesteld als Godsdienst en maatschappelijk onderwijzer, voorzanger en beestensnijder voor de tijd van een jaar, ingaan­de 1 november 1855, met een traktement van twee honderd zes en dertig gulden, vijf en zeventig cent 's jaarlijks, betaalbaar elke maand met een twaalfde gedeelte, benevens vrije woning en het gebruik van de tuin achter de synagoge gelegen, zonder verder enig aanspraak te kunnen maken, op hetgeen aan de gemeente van welke kant en welke aard ook mocht worden toegekend, blijvend zulks uitsluitend voor de gemeente gereserveerd, terwijl de heer Schepp wijders zal gehouden zijn, tot de geregelde nako­ming en verplichting der volgende punten:
    1. Er zullen elke dag zes uur onderwijs moeten worden gegeven, te weten drie in het Godsdienstige en drie in het maatschappelij­ke, de uren wanneer onder­wijs zal worden gegeven, zullen nader door het kerkbestuur worden geregeld.
    2. De tijd van slachten is bepaald van 's morgens zes tot 's avonds tien uur, toch zal hij in schooltijd niet mogen gaan slachten.
    3. Zo dikwijls men naar de kerk zal gaan, zal hij tegenwoordig moeten zijn om de gebeden voor te zingen.
    4. Hij zal geen nering, inwoners, huurders of kostgangers mogen houden.
    De heer Schepp bezit voor het Godsdienstige de middelste rang als zijnde daartoe toegelaten door de bevoegde commissie zitting gehouden te Amster­dam de 21e augustus 1849 en voor het maatschappelijke de 3e rang, volgens toelating der Commissie van het district van de provincie Noord-Holland in de zitting gehouden te Haarlem de 10de oktober 1848. De heer Schepp werd op 1 mei 1863 op eigen verzoek eervol ontslagen.

    Op 16 augustus 1863 werd de heer Izaak Lazarus Cohen uit Schiedam aange­steld als voorganger, Godsdienstonderwijzer en beesten­snijder. Tevens werd hij belast om de gelden ten behoeve van de parochie, de eerste zondag van de maand op te halen. Ook de achterstallige gelden en de boetes opgelegd door de kerkenraad behoorden bij zijn taak met een salaris van fl. 345 jaarlijks.

    In de vergadering van de kerkeraad van 28 juni 1874 werd medege­deeld dat een overeenkomst ter ondertekening zou worden aange­boden aan de heer Klein, die dienst deed in deze gemeente. Tijdens de volgende vergadering, 12 juli 1874, deelde de voorzitter mede dat de heer Klein zijn ontslag als voorzanger, Godsdienstig onder­wijzer en beestensnijder had genomen. De kerkeraad besloot zich niet te zullen verzetten tegen dit ontslag op eigen verzoek. Zou de heer Klein eventueel schriftelijk terugkomen op zijn besluit, dan zouden zij dit nader beraden. Blijkbaar was het aangeboden contract niet naar de zin van de heer Klein.

    Als nieuwe voorzanger, Godsdienstig onderwijzer en beestensnij­der werd op 11 juli 1875 benoemd Daniel Eleasar de Wilde. Deze nam zijn ontslag ingaande op 13 juni 1877.

    Zijn opvolger als voorzanger en Godsdienstig onderwijzer was de heer Itali­ander, met ingang van 16 december 1877, voor de periode van een jaar. De heer Itali­ander verliet tussen 8 en 15 maart 1878 op eigen verzoek zijn functie en vertrok naar Monnikendam.
    De heer Servaas Soesman, benoemd op 18 december 1878 als voorzanger met een vergoeding van 2 gulden per week, kreeg de verplichting de kerk te openen en te sluiten en de lichten aan te steken. Het voorlezen van de Thora wordt opgedra­gen aan de heer Louis Wijngaard Sr. De reden daarvoor was dat er geen geldelijke middelen ter beschikking waren om een voorzanger, godsdienst onderwijzer en beesten­snijder aan te stellen.

    In 188O werd beslo­ten, zolang er geen voor­zanger was aange­steld, op Sabbath en feestdagen de heren Jacob Caan te Haasdal en L. Wij­ngaard als zodanig aan te wijzen.

    Aangesteld 1 januari 1880 was Mozes Goedhard onderwijzer, die 25 cent extra kreeg om het schoollokaal tijdens de lessen goed te verwarmen. De heer Mozes Goedhard vertrok 1 september 1882.

    Vanaf 1 september 1882 werd de heer Jacob Leliveld uit Den Haag als godsdienstig onderwij­zer en voorzanger en beestensnijder aangesteld, met een salaris van fl. 420,-. Het contract liep tot 1 november 1885 en werd op verzoek van de heer Leliveld op 13 januari 1­885 gewijzigd in een maandcontract.

    Vanaf 1 september 1885 wordt Sal van Renkel de nieuwe voorzanger, die te Meerssen aanbleef tot 26 februari 1889.

    De volgende voorzanger was de heer Koekoek, welke tussen 26 februari en 18 oktober 1889 te Meerssen is aangenomen.
    Op 22 oktober 1889 is in een vergadering de klacht van de heren L. Hertog en Max Hertog behandeld, in verband met het feit dat op 19 oktober 1889 de heer Koekoek 's avonds de kerk zou hebben verlaten zonder dat de avonddienst was verricht. De vergade­ring besloot met algemene stemmen de heer Koekoek te verzoeken schriftelijk verantwoording af te leggen over het feit dat hij op genoemde datum de avond­dienst niet heeft verricht of laten waarnemen. Verder wordt over dit feit geen melding meer gedaan. De heer Koekoek verzocht om ontslag op 29 juli 1892. Op deze datum had hij echter nog geen andere betrekking en verzocht daarom de kerkeraad het contract te verlengen tot 29 juli 1893. Dit verzoek werd ingewilligd.

    Waarschijnlijk had men, nadat de heer Koekoek vertrokken was, geen vaste voorzanger, gezien het besluit op 4 november 1894 de heer Isaac Hertog een bedrag van 15 gulden te betalen voor de kosten van logies en kostgeld, besteed aan de heer S. Cohen, voorzanger te Meerssen op de "Hooge Feestdagen".

    Op 25 december 1902 werd besloten dat B. van Blijdenstein uit Groenlo (of Zalt-Bommel) voor de tijd van een jaar, aanvang 1 januari 1903, te benoemen als voorzanger en godsdienstonderwijzer, met een sala­ris van 300 gulden. Van Blijdens­tein nam in 15 mei 1903 ontslag wegens het aanvaarden van een andere betrekking.

    In de vergadering van de Israëlitische Gemeente Meerssen van 21 september 1908 werd tot voorzanger, godsdienstonderwijzer benoemd de heer J. van Zuiden uit Hoogeveen. In oktober 1909 verzocht hij de Israëlitische Gemeente van Meerssen om vuur en licht voor het school­onderwijs. Dit verzoek werd door de kerkeraad afgewezen. Besloten werd om de kinderen om de week bij verschillende ouders thuis les te geven. De heer Van Zuiden bleef in Meerssen tot 1 januari 1910.

    In 1912 was de godsdienstleraar Van Baaren, die in maart 1913 ontslag nam voor een betrekking te Boxmeer.

    Op 15 september 1915 werd besloten de heer A. Wagenaa uit Amsterdam als hulpvoor­zanger aan te nemen.

    Op 18 april 1917 eindigt het laatste archiefstuk van de Israëlitische Gemeente Meerssen. Waar de archiefstukken zich na deze datum tot rond 1943 (indien ze nog bestaan) bevinden is mij niet be­kend. Mogelijk zijn zij tijdens Tweede Wereldoorlog verloren gegaan.

    Begraafplaats aan de Geul
    De welgestelde Bernard Bar Levy had in het jaar 1715 aan de "Geulbrugge, voor den Jooden een Plaetsken gecoop voor 10 patacons van den Dorpsmeester Albert Boots". De begraaf­plaats was gelegen buiten de bebouwde kom, hetgeen voor joden verplicht was, op de weg van Meerssen naar het dorp Rothem.
    In 1864 raakte de joodse begraafplaats bijna vol zodat de kerkeraad zich wendde tot de gemeente met het verzoek om een stuk grond om de oude begraafplaats uit te breiden. Zij wezen het gemeentebestuur op het Kerkelijk Decreet van 23 Prairial Jaar XII (12 juni 1804) dat toen nog van kracht was. Op grond hiervan had de gemeen­te de verplich­ting voor iedere kerkelijke gezinde een behoor­lijk ingericht terrein aan te wijzen. Ook beklaagde men zich in 1867 er over dat de begraafplaats slechts afgescheiden was met een heg, welke de toegang tot de begraafplaats niet kon voorkomen, zodat er regel­matig baldadigheid op de begraafplaats werd gepleegd zodanig dat de teraardebestelling erdoor werd bemoeilijkt.
    In 1868 werd de begraafplaats afgesloten met een ijzeren hek en een gemet­selde mergelmuur. De kosten hiervan bedroegen fl. 300,- waarvan de ge­meente Meerssen fl. 75 betaalde. De vereniging Domar-toff stelde hun kas hiervoor aan de kerkeraad ter beschikking met het bedrag van fl. 146,41. In 1874 maakte het kerkbestuur aan de gemeente Meerssen bekend dat zij aan de verplichting volgens art. 12 wet van 4.12.1872 (Staatsblad no 134) niet kon voldoen. Het betrof hier een wet die verplicht stelde op iedere be­graafplaats een lokaal te bouwen waar men tijdelijk een over­ledene kon plaatsen. Men vroeg subsidie aan. Die werd afgewezen door de gemeente Meerssen. De gemeente stelde dat iedere geloofsovertuiging zijn eigen begraafplaats moest onderhouden.

    In 1878 besloot de kerkenraadvergadering dat tot het bouwen van een lijkenhuis op de begraaf­plaats zou worden overgegaan (6 jaar na wettelijke verplichting). Op 1 april 1878 werd het werk uitbe­steed aan André Smeets, metselaar te Meerssen. ­Op de vergade­ring van 21 juni 1896 kwam dit weer ter spra­ke, want er moest een nieuw lijkenhuisje komen, te bouwen met de stenen van het oude. Het werk werd verricht door Jozef Smeets, meester metselaar te Meerssen voor het bedag van fl. 48,74. Het lijkenhuis moest worden gebouwd achter op het kerkhof, langs de haag tussen de begraafplaats en het erf van de heer Stevens. Op 29 juli 1906 betaalde de kerkenraad aan Jan Bovens, leiendekker, een bedrag van fl. 22,00, voor werk welk hij aan het lijkenhuisje had verricht.
    In 1991 werd de joodse begraafplaats gerestaureerd. De gemeenteraad van Meerssen ging op 17 december 1989 akkoord om hier­voor fl. 75.000 vrij te maken. In 1991 werd o.a. de mer­gelmuur vernieuwd, diverse grafstenen kregen een nieuwe sokkel en de graszoden werden vevangen.
    Ook werden er nieuwe paden aangelegd. Op de joodse begraafplaats kunnen nog altijd mensen worden begraven. Dit is heel belang­rijk.
    Als de begraafplaats zou worden gesloten betekent dat, dat de graven over dertig jaar geruimd kunnen worden. Dat is tegen de joodse wet. Daarin staat: "Je zult slapen in het stof tot de Verlosser komt". Als de graven geruimd worden, kunnen deze overledenen niet meer uit het stof opstaan. Zeker zo belangrijk is het voor joden dat zij altijd zeggenschap blijven houden over de begraafplaats. Joodse begraaf­plaat­sen hebben een andere aanblik dan christelijke. Niet alleen ontbreken kruisen, maar ook bijvoorbeeld bloemen of planten ontbreken. Bezoekers brengen geen bloemen, maar kleine steentjes, een teken van verbondenheid. Deze worden op het graf gelegd als teken dat de overle­dene niet vergeten is.

    Het Begrafenisritueel
    De joodse gemeenschap te Meerssen zal ook zijn eigen begrafe­nisritueel gekend hebben, dat door de tijd heen zijn eigen vormen heeft aangeno-men. Dit is niet meer te achterhalen, maar dit zal hebben plaatsge-vonden vanuit de volgende beginselen.

    Akbabja Ben-Methale, een tijdgenoot van Jezus leerde: "Blik op drie dingen, en je zal niet in de macht van de zonde vallen: bedenk, waarvan je kwam, waar­heen je gaat en voor wie je eens rekenschap moet afleggen." Deze eerste woorden van bezin­ning behoren tot de liturgie van het joodse begrafenisritueel. Dit ritueel is weliswaar door etnische ach­tergrond, of plaatselijk gebruik verschillend maar de grond­gedachte van waarvan en waarheen in het menselijk leven is algemeen, het geloof van de verrijzing uit de dood, aan het einde van de wereld.

    Het is de plicht van de zoon, het dodengebed "Kaddisch" aan de baar van zijn vader of moeder uit te spreken. De begrafenis vindt binnen achten-veertig uur plaats. De vrouwen gaan niet mee.
    Een oud rouwgebruik, het scheuren van kleren door de nabestaanden van de overledene, gaat terug tot de stamvader Jacob, wanneer hij het bericht van de dood van zijn zoon Joseph verneemt. De kleren worden gescheurd boven het hart wanneer het een vader of moeder betreft en aan de rechterkant voor vrouw of man, zuster, broer of dochter.

    Over de kist strooit men aarde afkomstig uit Israel uit. Zeven dagen waakt de naaste familie in het huis van de overledene. Alleen op de Sabbath is men vrij om naar buiten te gaan teneinde de synagoge te bezoeken.
    Op werkdagen verzamelt de familie en vrienden drie maal per dag in het sterfhuis, om te bidden. Aansluitend begint de rouwmaand. De manne­lijke familieleden scheren zich niet, omdat scheren behoort tot de cosmetische zaken.

    Elf maanden bidt de zoon of broer (als er geen zoon leeft) het Kaddisch-Gebed in de synagoge voor de overledene. Dan is de ziel van de overledene (doorsnee mens) tot rust gekomen. Volgens volksgeloof kan dit bij slechte mensen een vol jaar duren.
    Aangezien de dood niet werd gezien als het einde, maar een nieuw begin heeft de begraafplaats ook de naam van "Beth Haim", het Huis van de Levenden.



    De Tweede Wereldoorlog wordt gekenmerkt door de vervol­ging van joodse medemensen en de massamoorden in de Duitse vernieti­gingskampen. Ook in Meerssen, waar zich van oudsher een joodse gemeenschap bevond, werd een deel van de zwartste bladzijde in de West-Europese geschie-denis geschreven. Op 8 juli 1942 verzond de gemeente Meerssen een lijst van in de gemeente woonachtige joodse personen naar Dienststelle des Befehlshaber der Sicher­heitspolizei und des S.D te Amsterdam.
    Kort na het opstellen van deze lijst begonnen de deportaties.
    Op vier na werden alle joodse bewoners van Meerssen gede­porteerd en vermoord.
    Na de deportaties werden door twee marechaus­sees van de groep Meerssen, onder toezicht van de in Bunde woonachtige Blocklei­ter van het steunpunt NSDAP-Meerssen, inventarislijsten opge­maakt van de leegstaande woningen van Salomon Zeligman aan de Markt 30 en Albert Zeligman aan de St. Jo­sephstraat 5. In juli 1943 werd de Nederlands-Israëliti­sche Gemeente Meerssen ont­bonden door de districtsinspecteur voor niet-commerciële Ver­enigingen en Stichtingen. Met ingang van 16 juli 1943 werden de sleutels van de woning van de voorzitter van de Israëliti­sche gemeente bewaard door burge­meester Visschers en de sleutels van de synagoge door Emile Gottschalk.

    De Joodse gemeente Meerssen werd in 1947 opgeheven.

    Via het Rode Kruis kreeg men de beschikking over de overlijdens­berichten van hen die werden vermoord in Duitse kampen, o.a. Auschwitz, Sobibor. Van een enkeling werd geen plaatsnaam opgegeven, alleen "o­verl. in Midden-Europa".

    De kerkbanken, de Birma, zes grote gedreven kandelaars, een zilveren sierto­ren en een Wetsrol met zilveren kroon zijn naar de grotendeels door de Duitsers leegge­roofde Maastrichtse synagoge overge­bracht waar ze zich nu nog bevinden.

    Uit De Limburger,1991.
    "Onbekende Heldendaden" door Meerssenaren beschreven.
    Joden overleefden bij bakkersechtpaar Mommers.

    De titel van het boek luidt: 'Judenverfolgung und Fluchthilfe im Deutsch-Belgischen Grenzgebiet". De auteur is Han-Dieter Arntz. Maandenlang sloot deze 49-jarige leraar uit het Duitse Euskirchen zich op in stoffige archieven. Hij sprak met meer dan honderdvijftig joden die de Duitse Eifel in de oorlogsja­ren ontvluchtten, en ontsnapten naar het buitenland. Het resultaat: een 810 pagina's dik relaas over mensensmokkel en de ondoorzichtige handel in doodsbange joden. Tijdens zijn vele speurwerk stuitte de schrijver op een brief, gedateerd 4 maart 1948, aan de burgemeester van het plaatsje Gemund, in de Duitse Eifel. De brief was ondertekend door Albert en zijn echtgenote Hedwig (Eva) Zelig­man. Arntz had weer een joods echtpaar ontdekt, dat de oorlog had overleefd. Dankzij een Meerssens echtpaar: Joseph en Anna Mommers.

    De brief van de Duitse schrijver Hans-Dieter Arntz ligt op de vensterbank. Anna Mommers (76) heeft hem bewaard. Ze heeft aan zijn verzoek om haar herinneringen aan de oorlogsjaren en aan het joodse echtpaar Eva en Albert Zeligman op papier te zet­ten, gehoor gegeven.

    In een bovenkamer van het hoekhuis aan de Bunderstraat in Meerssen, hangt nog een foto. Van de vroegere bakkerij, die ze samen met haar in 1970 overleden echtgenoot Joseph runde. "Daar, in dat achterkamertje", haar vinger wijst naar een klein raampje, links achter het statige huis, "daar hebben we hen negentien maanden lang verstopt."
    Anna Mommers heeft het boek van Arntz nog niet gelezen. "Ik wist niet eens dat het al af was. Maar het boek is in de Duitse taal geschreven. Jammer, als het een Nederlandstalig werk was, zou ik het meteen kopen." Arntz na Joop Geysen, een van de eersten die de daden van de twee 'bescheiden Meerssense red­ders' vastlegt op papier.

    Kinderen
    "Anna herinnert zich uit het dagboek de passage waarin Geysen beschrijft hoe de Duitsers hun dochter Hilda en zoon Herbert Zeligman op de trein zetten. Zij stierf in Auschwitz, Herbert kwam in Blechhammer om het leven."

    Op het Maastrichtse station begint ook het verhaal van hun ouders. Arntz beschrijft gedetailleerd hoe zij de Duitsers te slim af waren, en uiteindelijk terecht kwamen bij bakker Mommers. "Eva deed op die kermisdins­dag, 25 augustus 1942, net alsof ze heel erg ziek was en dus niet kon reizen. De nazi's geloofden haar, stuurden haar samen met haar man terug naar huis. Ze hadden even verderop een slagerij. Mijn man kwam er vaker, om brood te brengen. Albert was in die tijd heel erg bang, bang dat de Duitsers hem toch zouden vinden. Mijn man zei: Als het zover is, kom je maar bij ons. En op een winterse avond, in februari 1943, stonden ze voor de deur. We hebben hen binnen gelaten. En toen ze eenmaal binnen waren, konden we hen niet meer op straat zetten", vertelt Anna, een fors gebouwde vrouw, moeder van drie kinderen.

    Lopend vuurtje
    Anna denkt niet graag terug aan de negentien maanden dat Eva en Albert in haar huis verbleven. Het nieuws van het verdwenen joodse echtpaar ging als een lopend vuurtje door het dorp. In de bakkerij van de familie Mommers verhaalden klanten over het tragische lot van de slager en zijn vrouw. ""En wij deden net alsof we nergens vanaf wisten. Stel je voor dat iemand erach­ter kwam dat wij hen verborgen hielden. We liepen gevaar, net als onze kinderen." Het personeel moest Anna op een afstand houden. Als er bezoek over de vloer kwam, was ze doodsbenauwd dat iemand het echtpaar zou ontdekken, zou horen dat er iemand in het zolderkamertje rondliep. "Het was een zware tijd. Ik zeulde met kolen, eten en water de trap op en af, om onze onderduikers warm te houden en van voedsel te voorzien", herinnert ze zich. "Negentien maanden lang !" In september 1944 kwam de verlossing: de bevrijding van Meerssen. Voor Anna en Joseph was het hoofdstuk over de oorlog afgesloten. En het joodse echtpaar? Dat ging zijn eigen weg. Eva stierf op 25 januari 1955 in Meerssen. Haar man vertrok later naar Den Haag. Albert en zijn vrouw waren de laatste die op het joodse kerkhof in Meerssen werden begraven.

    Achtergrond
    "De bescheiden redders verdwenen naar de achtergrond. Ze wilden het zo", schrijft Hans-Dieter Arntz op pagina 700 van zijn uitvoerige boekwerk "Andere hoben nach dem 2. Weltkrieg ihre Verdienste hervor." "Ach, wat had ik daaraan gehad", klinkt het berustend uit de mond van Anna. "We hadden het allemaal overleefd, en dat was het belangrijkste." Ze is pas ontroerd als ze verder leest. Op diezelfde pagina staat een gedicht, dat hulde brengt aan de 'onbekende held', haar echt­genoot. Het gedicht komt van de hand van de dialectschrijver Sjeng Habets. Geschreven ter ere van dodenherdenking, op 4 mei 1987.

    "Es veer op 4 mei 's aoves de klok dreuvig wherre sjloon, zulle veer oos gedachte toch nog ins laote goon, nao die Vaderlanders die met 't risiko van eige leve gezurg hubben dat ander van marteling en moord gespaard bleve. "
    't Is dan ouch prachtig op 4 mei aan die Vaderlanders te dinke (...) Die in sjtilte verzetswerk met de grawste leefde dege, en dao nwats of neet te neume vermelding veur krege. Alles, zelfs 't leve van hun dierbaren geriskeerd. Mootte die zich neet aafvraoge: waor 't dat waal weerd? Ze zulle dinke: 't is veurbie en is noe einmaol geburd. (...) Es op dodenherdenkng aan veule terecht hulde weurt gebrach, weurt allein door hun nog ins aan heum gedach. Aan dae sjtille, dae zwieger dae zwa veul haet gedoon, wha van de meiste zien kruus nog neet weite te stjoon."


    In 1966 werd als laatste van de joodse gemeenschap op de joodse begraaf­plaats aan de Geul begraven de heer Albert Zeligman.
    In 1990 woonden te Meerssen nog twee joodse families welke niet afstammen van een der Meerssense joodse families welke voor 1940 in Meerssen woon­achtig waren.

    Na de Tweede Wereldoorlog werd de synagoge gekocht door aannemer H. Martens. De synagoge werd gebruikt als repetitielokaal van het Meers-sense Mannenkoor. Het koor ging ter ziele, de sport­vereniging die er later een gymnastieklokaal in zag, vond een andere accommodatie, waarna onder andere de Rooms-Katholieke E.H.B.O, afd Meerssen en anderen van de synagoge gebruik maakten. De synagoge was door dit alles zodanig bouwkundig achteruit gegaan, ook al na een brandje, dat de gealar­meerde gemeente Meerssen besloten had de synagoge van de heer Martens te kopen. De gemeente vond Martens' vraagprijs echter te hoog. De gemeente bood een gulden en de belofte aan de gerestaureerde synagoge Martens naam te verbinden. Hij bedankte voor de eer omdat de prijs had te laag was en redeneerde dat bij afbraak de veldbrandstenen nog geld zouden opleveren. Zoals hij later het aanbod van de kunst­schilder Charles Eyck zou weigeren, die van de synagoge een atelier wilde maken en daarvoor een som geld en een olie­verfportret van Martens in het vooruitzicht stelde. Cultuurbarbaren, riep de schilder op het gemeentehuis na zijn mislukte missie.

    De ellende ging verder, ook na de dood van de heer Martens. Het aanbod aan de nieuwe eigenaren werd verhoogd tot tienduizend gulden, maar wederom kreeg de gemeente nul op re­kest.­
    De victorie begint bij een vriend van pater Martens die vijfduizend gulden beschikbaar stelt. De stichting had aan giften al een bedrag binnen en ging met nog eens vijfduizend gulden in het rood staan. Bij elkaar vijftienduizend gulden als renteloze lening al betaald, met dien verstande dat de erven van Martens juridisch eigenaar zouden zijn totdat de stichting of de gemeente van de voorlopige koopover­eenkomst een permanent maakte. Dan moest er echter eerst meer geld voorhanden zijn, omdat niet alleen de aankoop van het perceel maar ook zes ton voor de restauratie en daarbo­ven het een en ander voor de inrichting moest worden betaald.

    Stichting en gemeente richtten zich bij monde van gemeente­secretaris Nijsten op "grote bedrijven met joden in het bestuur." De gemeente had vroeger van Monumentenzorg een toezegging voor de restauratiekosten ontvangen, maar de strijd om het perceel had de zaken dermate getraineerd dat er opnieuw subsidie moest worden aangevraagd. Afbreken mocht niet van Monumentenzorg, dus had men de keus tussen restaureren of nog verder laten verpauperen en dan dreigde het gevaar dat de synagoge afgebroken zou moeten worden, zoals diverse gebouwen in Limburg.

    In juni 1985 werden de kosten voor de restauratie geschat op rond de 1,7 miljoen gulden. Ruim anderhalf miljoen wist de stichting in te zamelen voor het herstel. En op 12 maart 1989 kon de vernieuwde synagoge feeste­lijk worden geopend. Door deze restauratie heeft de synago­ge niet hetzelfde lot ondergaan als de synagoges van Gulpen en Sittard.

    De synagoge is in beheer van de stichting "SYNAGOGE MEERSSEN" en is verhuurd aan de "STICHTING LEERHUIS LIMBURG".

    Dat er tegenwerking was van een enkeling blijkt uit het feit dat er zelfs pro­test was tegen de ingebruikneming, wegens aantasting van de privacy.
    De Jad, de aanwijzer, werd in de jaren vijftig gevonden door een Meerssener ingezetene onder het dak van het rabbihuis, en door de laatste bewoner verstopt voor de Duitsers. Zijn erfge­naam schonk de jad aan de stichting Synagoge Meerssen.­
    De Davidster, tuimelde met het daktorentje waarop zij prijkt. naar beneden en werd bewaard door een vroegere legeraalmoeze­nier en is door mejuffrouw Hameleers geschonken aan de Stichting Leerhuis Limburg, die haar tegen een muur in de synagoge heeft opgesteld.

    Zondag 20 mei 1990 was de eerste maal na de Tweede Wereldoorlog dat in het leerhuis weer joodse liederen klonken. Deze plechti­ge gebeurtenis kreeg een speciale dimensie doordat prof.dr. Hans Bloemendal, eerste voorzanger van de Nederlands-Israëliti­sche hoofdsynagoge te Amsterdam, er enkele joodse liederen zong. Een mannenkoor onder leiding van Jean Lam­brechts begelei­dde hem hierbij.

    De laatste fase, de restauratie van de memoriaaldeuren uit de voorma­lige synagoge, werd op 29 maart 1992 gerealiseerd. Zij kwam tot stand dankzij de welwillen­de medewerking en gulle ondersteuning van onder meer de provincie, de gemeente, talloze bedrijven en sponsoren.
    Het kunstwerk, gerealiseerd door Appie Drielsma, overtrof alle verwachtingen. Het wordt beschouwd als een aanwinst voor zowel de synagoge als voor voor de Meerssense gemeen­schap. Vanuit een grote persoonlijke betrokkenheid en artistieke bekwaamheid heeft Drielsma deze deuren gemaakt tot een onnavolgbaar stuk geschiedschrijving, van joodse mensen die met centen en stuivers het geld bij elkaar brachten om voor hun kleine gemeenschap een synagoge te bouwen en van Joodse medeburgers die werden weggevoerd om nooit meer terug te keren, daarbij meer dan symbo­lisch een vervallen synagoge achterlatend.
    De heer drs. G.M.K. Kockelkorn stelde de deuren officieel in gebruik. Op deze deuren staan namen, geboorte- en sterfdata van de in Meerssen woonachti­ge joden vermeld, evenals de namen van de stichters van de synagoge, welke ondergetekende aan de heer Appie Drielsma ter hand stelde.

    Naast de namen van de overledenen zijn ook in deze deur de namen vermeld van de leden van de joodse parochie van Meerssen, die door hun financiële steun de herbouw van de synagoge hebben mogelijk gemaakt.

    ''Met het aanbrengen van de memoriaaldeuren is hieraan een onontbeerlijke afronding gegeven. Naast alle gevoelens van bitterheid en verdriet die worden opgeroepen door het verhaal op deze deuren, stemt dit ook tot voldoening, trots en erken­telijkheid", aldus de burgemeester van Meerssen, de heer Drs C.J.J.S. Majoor.

    Door H. Bartholomeus